Eigenlijk een soort Frankrijk

Laatst studeerde ik ineens af. Nou ja, ineens – ik had er vijf jaar hard voor gewerkt en door al die hertentamens menig overuur gedraaid. “Goed gedaan jongen,” meenden ze thuis en hier mocht volgens hen best een presentje tegenover staan. “Tsjechië!” riep ik. De rekenmachine werd erbij gehaald, maar met vijf jaar maal 42 werkweken maal veertig uur vonden ze een middelgroot Europees land als beloning niet echt gerechtvaardigd. Zelfs met overuren en oprotpremie meegerekend nog niet. Een treinticket naar Praag kwam meer in de richting.

Zie ik daar een zamok? (EH)

Wat ik toen nog niet wist is dat Tsjechië eigenlijk een soort Frankrijk is. Er zit vanuit Nederland gezien maar één land tussen en het stikt er dan ook van de Hollanders. De hele treinreis verkeerden we nog in de overtuiging dat het na verlaten van Praag allemaal wel los zou lopen. Van jonge stelletjes tot bijna gepensioneerden ging de hele meute naar de Tsjechische hoofdstad. Praha hlavní­ nádraží­ (wat in het land van de medeklinkers zoveel betekent als ‘Praag Centraal’) was een trieste bedoening. In geen velden of wegen een pinautomaat te bekennen, alles was alleen aangegeven in dat rare science-fiction taaltje van ze en het zag er heel wat aftandser uit dan menig verlaten stationnetje in Roemenië. Na een half uur waren we het er beu en zaten we in de trein naar Řevnice, waar volgens de Rough Guide een kekke camping zat. Die bleek “kaputt”, volgens de uitbater van de lokale pizzeria. Nee, een pinautomaat hadden ze er ook niet.

Gelukkig was er twee kilometer verderop, in Zadní Třebaň, wel een camping die door geen gids of kaart vermeld werd, zodat we hotels konden vermijden en met ons omgewisselde equivalent van twintig euro voorlopig niet in de problemen kwamen. Volgens de receptionist, die de buitenlucht als zijn kantoor had, was de dichtstbijzijnde pinautomaat twee kilometer terug in Řevnice. Omdat we geen flauw idee hadden welke Tsjechen we moesten geloven zetten we onze tent maar snel op zijn modder op.

Voor dag en dauw werden we al gewekt door het gekibbel van een Nederlands gezin. Als de kinderen nu niet onderhand de tent uitkwamen dan kregen ze ervan langs. Het komende half uur was het gezellig toeven met geklaag in de moedertaal op de achtergrond, waarna de Hollanders besloten elders te gaan zeuren en wij wat slaap konden inhalen. Dit deden we net té enthousiast, waardoor we het warme water in de douches misliepen en hierdoor tien minuten tijd bespaarden en de trein net haalden. Alras bevonden we ons in Písek en konden we eindelijk pinnen en de Lidl bezoeken. Op het programma voor de komende dagen stonden de kastelen Orlík en Zvíkov. Op aanraden van het Pí­sekse VVV kozen we voor de bus naar Orlík nad Vltavou (Welke Tsjechen moet je geloven?). ‘t Klopt, er waren daar campings en in Zvíkovské Podhradí niet, maar waar deze keer waarheden verkocht werden waren het wel maar halve. Volgens het bordje bij de bushalte waar we uitstapten was de camping nog zeven kilometer lopen. Jammer van de hoosbui ook.

Da's gewoon een duur huis zonder oprit (EH)

Vanuit Orlík nad Vltavou gingen we eerst per boot naar Zvíkov. De Nederlanders stonden er al te dringen om op de boot terug naar Orlík nad Vltavou te mogen. Zo’n lekkere toeristenboot vol pafferige, dikke mensen. Het gotische kasteel met omliggende ruïnes van vergane glorie lag er puik bij op een schiereiland waar twee rivieren samenkwamen. De helft was jaren geleden al in het felgroene water gestort, maar nog altijd waren er meer verdiepingen dan strikt noodzakelijk was. Geen fijn kasteel om jonkvrouw met eigen torenkamertje te zijn. Maar gelukkig hadden ze er vroeger vast niet van zulke smerige ijsjes als ze er nu verkochten.

Zvíkov zag er lekker stoer middeleeuws uit, maar Orlík had met zijn tierlantijnen (en een handjevol toeters en bellen) ook wel wat. Als we later een huis hebben richt ik het kippenhok in de tuin ook in tweede rococostijl in. Het kasteel, waarvan de bewoners nog dikke maatjes met Napoleon waren geweest, lag vroeger als een adelaarsnest op een boven het water uittorenende rotspunt. Wat zullen ze beteuterd hebben gekeken toen het water door het aanleggen van een stuwdam ineens zo’n zestig meter steeg. Aan het water wonen heeft ook wel iets, maar is toch iets minder schrikaanjagend ten overstaan van plunderende hordes.

Zet 'm gewoon bovenop de berg, dan hoeft ie niet zo hoog (EH)

Omdat zulk een veldslag er niet echt aan zat te komen hadden wij het hier wel weer gezien. De bus naar Pí­­sek vertrok volgens de tabellen om kwart over elf, dus we hadden alle tijd voor we aldaar om iets voor drieën op de trein naar Volyně zouden stappen. Maar volgens de mensen van het pension reed de bus niet en wij wisten weer niet welke Tsjechen we moesten geloven. Toen we het vruchteloos wachten beu waren besloten we maar te gaan liften. Naar Mirovice, het dichtstbijzijnde treinstation. Al snel stopte er een Praagse dame voor ons. Ze kon ons maar een klein stukje meenemen, naar een kruispunt van twee snelwegen niet al te ver van Mirovice.

“Kom je hier vaak?” vroeg ze aan mij, waarop ik haar vertelde dat dit onze eerste keer in Bohemië was, na enkele uitstapjes naar Roemenië. “Oei oei,” was de reactie. Enkele van haar vrienden waren daar ook eens heen geweest, maar ze zou dat zelf nooit durven, met al die bandieten daar. Hoor wie het zegt! Het zijn zelf verdorie net zo’n Oost-Europeanen, die Tsjechen. Gelukkig wisten we ondertussen dat we niet alles moesten geloven wat ze verkondigden.

Even later op het kruispunt konden we kiezen uit vier richtingen: Praha, Mirovice, Pí­sek of terug naar Orlík nad Vltavou. Kleine kans dat iemand ons rechtsreeks naar Písek zou brengen, maar niet geschoten, bla bla. Met haar derrière naar de snelweg gericht strikte Eva nog even haar veters, niet doorhebbend dat er een vrachtwagen op zeven centimeter afstand van haar billen voorbij denderde. Geschrokken van mijn reactie zette Eva het betere strikwerk in de berm voort, terwijl ik ondertussen een auto op weg naar Pí­­sek aanhield. De oudjes hielden van goed doorblazen en in no time werden we in het centrum van de stad afgezet. Je mag ook af en toe best een beetje geluk hebben, niet waar?

Back to the 80's
St. Kilda? Klinkt goed!

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*