Tsjetsjenië

Het verschil met Dagestan had nauwelijks groter kunnen zijn. Het lijkt wel alsof we een Alpenland binnenrijden. Nette, bakstenen huizen waar geen grote plakkaten cement op te zien zijn. Nergens afval langs de weg. Groene bergweiden vol bloemen. Maar wel een Alpenland waar een autocraat de touwtjes stevig in handen heeft. Een soort Liechtenstein? Het is in ieder geval niet het Tsjetsjenië dat veel mensen op basis van een turbulente recente geschiedenis zouden verwachten: van twee oorlogen in de jaren ‘90 en de daarop volgende decennia van aanslagen en antiterroristische operaties is aan het gemanicuurde oppervlak geen spoor te bekennen.

Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie riep Tsjetsjenië zich in 1991 eenzijdig uit tot onafhankelijke staat. In de roerige jaren die volgden leek het met Tsjetsjenië dezelfde kant op te gaan als het rijtje Abchazië, Nagorno-Karabach, Transnistrië en Zuid-Ossetië: het land was de facto onafhankelijk, maar werd internationaal door niemand erkend – op het door de Taliban gestichte Islamitische Emiraat Afghanistan na dan. Het verschil met de vier andere niet of nauwelijks erkende landen is dat Tsjetsjenië zich onafhankelijk verklaarde van Rusland, in plaats van zich af te scheiden van de kersverse landen Azerbeidzjan, Georgië en Moldavië – stuk voor stuk staten die op dat moment met andere problemen worstelden. En waar de andere vier landen zich gesteund wisten door Rusland, namen de Tsjetsjenen het juist tegen deze Goliath op.

De eerste oorlog met de Russen brak in 1994 uit. Ondanks een overweldigende troepenmacht en superieure wapens lukte het Rusland niet de bergachtige republiek onder controle te krijgen. In drie maanden tijd verloren de Russen bijna tweeduizend tanks – meer dan in de slag om Berlijn in de Tweede Wereldoorlog. In 1996 trokken de Russen zich terug uit een grotendeels vernietigd en wetteloos Tsjetsjenië. Ontvoeringen, coups en geweld tussen elkaar onderling bestrijdende rebellenfacties waren aan de orde van de dag. Toen Tsjetsjeense rebellen in 1999 Dagestan binnenvielen en opriepen tot een jihad tegen alle ongelovigen, was dat voor Rusland reden om de Tweede Tsjetsjeense Oorlog te beginnen. In 2000 stond het grootste deel van Tsjetsjenië weer onder controle van Moskou, al vonden er tot 2009 op grote schaal gevechten plaats. Grozny was met de grond gelijk gemaakt en werd in 2003 door de Verenigde Naties ‘the most destroyed city on earth’ genoemd.

Tegenwoordig is Tsjetsjenië – volgens de Russen zelf – één van de drie veiligste regio’s van Rusland. Mensen laten het wel uit hun hoofd om te stelen of op een andere manier iets ongeoorloofds te doen: president Ramzan Kadyrov houdt de republiek in een ijzeren greep. Dat betekent enerzijds dat mensen in Grozny zich zo veilig voelen dat ze niet eens hun deur op slot hoeven te doen en anderzijds dat misdadigers en politieke tegenstanders om de geringste aanleiding jarenlang in werkkampen belanden – of erger.

De portretten van Ramzan Kadyrov en zijn bij een aanslag om het leven gekomen vader Akhmad Kadyrov hangen in elk gehucht aan keurig gemetselde muren. We rijden over een uitstekende asfaltweg de bergen in. Bij een politiepost naast een 14e-eeuwse verdedigingstoren in het dorp Kharachoy worden onze paspoortgegevens geregistreerd. Daarna slingert de weg verder omhoog, langs imkers die hun honing verkopen naar de Kharamipas op de grens met Dagestan. Het Kezenoyam meer, op een hoogte van 1870 meter, ligt precies op de grens van beide republieken. Aan Tsjetsjeense zijde zijn luxueuze chalets en watersportvoorzieningen gebouwd. Metershoge foto’s van de Kadyrovs sieren de muren van een groot hotel. Op de parkeerplaats speelt een politiebewaker verveeld met zijn wapenstok. De Dagestaanse kant van het meer is chaotisch, met wildkamperende, vissende en kampvuur stokende mannen. Daar is onze smoezelige bus beter op zijn plaats.

Twee Tsjetsjenen trakteren ons meteen op een watermeloen. Dat laat een groep Dagestanen niet over hun kant gaan, waarop ze prompt met een grotere meloen en een bord zongedroogd schapenvet aan komen zetten. “Dat is goed voor je potentie,” beweert Rashid. Slap gelul volgens mij en ik bedank vriendelijk voor een tweede portie. Rashid schenkt een glas cognac in om de ranzige smaak weg te spoelen en begint te vertellen: “Vroeger, meer dan honderd jaar geleden, stond het waterpeil van Kezenoyam veel lager. Aan de oever lag een dorp waar een man om een stuk brood kwam vragen. Maar de dorpsbewoners hielden hun deuren gesloten. Alleen één oude vrouw opende haar deur. Ze had zelf niets, maar gaf hem haar laatste stuk brood. Op aanraden van de vreemdeling trok ze diezelfde avond de bergen in. Toen ze de volgende ochtend wakker werd, stond het waterpeil tientallen meters hoger. Het dorp was verdronken.” Rashid schenkt nog eens in en leunt achterover. Geen wonder dat zowel Dagestanen als Tsjetsjenen zo graag delen – al vind ik dit nog altijd geen reden om je gast zongedroogd schapenvet voor te zetten.

“Als gast ben je in de Kaukasus heilig,” vertellen de imkers Abderrahim en Abdullah de volgende ochtend. We stoppen bij hen om nieuwe honing te kopen. De oude pot is omgevallen, waardoor onze bus nog erger plakt dan daarvoor. “Je kunt als gast zonder problemen een maand, een jaar in Tsjetsjenië blijven zonder een cent te betalen. Iedereen zal je helpen als je iets nodig hebt. Dat is de wet van de bergen. Zelfs de Russen zijn hier welkom. Als gast. Het zou alleen fijn zijn als ze niet al te lang blijven,” lacht Abderrahim.

Ik vraag me af hoeveel de Russen nu echt te vertellen hebben in Tsjetsjenië. Grozny en omgeving zijn duidelijk het speelterrein van de Kadyrovs. Dat begint bij de futuristische Aimani Kadyrova moskee in Argun en bereikt zijn hoogtepunt in een complete presidentiële wijk in Grozny, van de rest van de hoofdstad afgeschermd door een slotgracht. Achter metershoge hekken zien we parken, marmeren zuilen en nagebouwde traditionele verdedigingstorens. De Tsjetsjeense president heeft zelfs zijn eigen mini-Mekka.

Grozny is als een feniks uit de as herrezen. Moderne wolkenkrabbers domineren het stadsbeeld. ‘s Avonds veranderen de gebouwen in een show van kleur en licht, met teksten als ‘Wij houden van Grozny’ en portretten van Akhmad en Ramzan Kadyrov verdiepingenhoog op de gevels. Achter de nieuwe hoogbouw, waar de Prospekt Kadyrova naadloos overgaat in de Prospekt Putina, ligt de Hart van Tsjetsjenië moskee die plaats biedt aan ruim 10.000 gelovigen. Er wordt ‘s avonds druk geflaneerd in de hoofdstad. Ilva is nog altijd ziek en omdat Tsjetsjenen zo hun eigen opvattingen hebben over vrouwen die in het donker alleen over straat gaan, hoeft Eva niet zo nodig de stad in. Het is stapavond in Grozny: naast het trottoir staan glimmende, zwarte Mercedessen met gewapende militairen erbij en nergens is een biertje te krijgen. Alcohol is verboden in Tsjetsjenië.

Lange haren zijn zover ik weet niet verboden, al is er geen Tsjetsjeen die het in zijn hoofd haalt zijn haren te laten groeien. Ik word door iedereen nagestaard. “Jij bent een buitenlander hè? Kan ik je ergens mee helpen?” Een jongen stapt van zijn mountainbike en stelt zich voor als Isa. In perfect Engels vertelt hij over zijn stad: “Het gebeurt me wel eens dat ik vergeet mijn auto af te sluiten. Sleutel in het contact, ramen nog open. Dat is geen enkel probleem in Tsjetsjenië – niemand zal hier ooit iets stelen! Qua mensenrechten is het hier dan weer minder goed geregeld.” Het valt me op hoe vrij Isa over een regime praat dat toch als behoorlijk repressief te boek staat. “Als gast is het hier prima. Zelfs als je een restaurant in Grozny binnen loopt en je vertelt dat je geen geld hebt, zullen ze je te eten geven.”

De Tsjetsjeense keuken is overigens niet per se een aanrader. De pompoensoep die we de volgende avond eten is ok, de deegflapjes gortdroog en de kip zo mogelijk nog droger. De bruisende, groene dragondrank die we erbij krijgen laat zich het best omschrijven als apart. We lopen terug over het Moskeeplein, waar jonge moeders met hun kinderen op reusachtige schommels zitten. Ook in het Bloemenpark, waar een wandelpad door een reeks fel verlichte harten voert, is het nog lang geen bedtijd – in Tsjetsjenië kennen ze alleen bidtijd. Over de Prospekt Kadyrova scheurt een lange rij politieauto’s met blauw-rode zwaailichten voorbij in de richting van het presidentiële paleis. Het politiekorps van Grozny heeft vandaag 15 nieuwe voertuigen gekregen om de niet-aanwezige misdaad te bestrijden.

Tsjetsjenië is geobsedeerd door wederopbouw en properheid. We rijden langs de rivier de Argun de bergen in, waar hordes vrouwen de toch nog best aardig ogende paaltjes naast de weg met witte en zwarte verf te lijf gaan. Nergens staan vuilnisbakken. En nergens ligt afval. Na de oorlog is alles opgeruimd. Overal lagen landmijnen en om die onschadelijk te maken, moest ook het zwerfvuil worden weggehaald. Nu staat Kadyrov erop dat zijn republiek netjes blijft.

Bij een militaire post wordt gecontroleerd of we alcohol bij ons hebben. Via portofoons geven de soldaten door dat er toeristen de vallei inrijden. We krijgen toestemming en de instructie ons op de terugweg opnieuw te melden. Weer worden al onze paspoortgegevens genoteerd. Weer volgen afkeurende blikken vanwege mijn lange haren. “Waarom zijn je haren net zo lang als die van een vrouw?” vraagt de commandant. Omdat de parate kennis van de gemiddelde Tsjetsjeen op zowel topografisch als historisch vlak de nodige hiaten vertoont, hang ik een verhaal op dat we in Nederland allemaal Vikingen zijn en op deze manier onze geschiedenis in ere houden. “Ja, maar we leven toch in de 21e eeuw?” pareert de commandant. De Tsjetsjenen zijn een vooruitstrevend en ruimdenkend volk, maar wanneer ik ze vertel dat de mannen in Schotland zelfs rokken dragen vinden de militairen het mooi geweest en wuiven ze ons door.

Even verderop wordt de kloof nauwer en spectaculairder. De ondoordringbare bossen die de weg eerder flankeerden zijn verdreven door steile rotswanden. Aan de overkant van de woest kolkende Argun staan de duizend jaar oude verdedigingstorens van Ushkaloy, die ooit de toegang naar het zuiden versperden. Maar de Tsjetsjenen zijn vooruitstrevend en er wordt nu hard gewerkt aan een restaurant, hotel met grot, forellenvijver en een nieuwe brug over de kloof. Na de moskee en de vierkante torens van Itum Kale mogen we niet verder rijden: dit is een gevoelige grenszone. De verderop gelegen necropolis van Tsoy Pede is voor ons verboden gebied.

De ontoegankelijke bergen in het zuiden van Tsjetsjenië lonken, maar een ontdekkingstocht door dit gebied is voor ons niet weggelegd. Het is het de vraag hoe veilig het is op eigen gelegenheid langere tijd in dit deel van de Kaukasus te verblijven – wet van de bergen of niet. Daarnaast hebben we instructies gekregen vandaag nog terug te keren uit de vallei. Het feit dat Eva nu achter het stuur zit betekent volgens de militairen dat ik daar te ziek of te zwak voor ben. Hoofdschuddend kijken ze ons na. We rijden terug naar het noorden, door dorpen met kitscherige namaaktorentjes en portretten van Kadyrov en Poetin. Twee welwillende autocraten die als geen ander weten wat goed is voor hun onderdanen. Het is vanaf het onberispelijke en strak gecontroleerde Grozny minder dan vijftig kilometer naar de grens met de kleinste en meest ongrijpbare republiek van Rusland: Ingoesjetië.

Zelf naar Tsjetsjenië? Met mijn reisbureau Tot hier en verder organiseer ik reizen naar de Noordelijke Kaukasus.

Ingoesjetië
Dagestan

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*