Uitgehold

Het oosten van Turkije worstelt met haar identiteit. In het gouden avondlicht zijn de beboste bergen van het Karagöl-Sahara nationaal park niet van de valleien in Adjara te onderscheiden. Misschien had Shorena wel gelijk door te stellen dat Georgië niet ophoudt bij de grens. Mishandelde ruïnes van Armeense kerken vormen een ongemakkelijke herinnering aan vroeger geweld. Smoezelige Koerdische kinderen proberen bloemen en flesjes water te verkopen aan meer welgestelde Turkse toeristen. En ik worstel net zo goed met mijn eigen identiteit. In de afgelopen maanden prees Eva me om mijn bluffen, onderhandelen, vervalsen, plannen en stuurmanskunst. Op reis ben ik extraverter, spraakzamer en durf ik meer. Hoeveel zal ze hier nog van terugzien in Turkije, waar meer regels zijn, waar de keuze in winkels ruimer is en de producten duurder, waar ik de taal niet spreek?

Turkije voelt westerser aan dan de landen in de Kaukasus en helemaal dan buurlanden Iran, Irak en Syrië; voorbeelden van hoe het ook kan in de regio. Turkije komt modern en vooruitstrevend op ons over – maar niet van harte. Hoofddoekjes dragen is optioneel, net als meewerken aan de versierde boog in ons dorp in Drenthe: niemand slaat je in elkaar als je het niet doet, maar je maakt er geen vrienden mee. Hetzelfde geldt voor het drinken van alcohol. Het mag, maar als je ergens bier koopt krijg je vuile blikken. In die zin is Oost-Turkije toch anders dan Drenthe, bedenk ik me. De bestuurders van Nederlandse auto’s, die we hier voor het eerst sinds onze eerste reisweek in Polen weer zien, zijn beslist geen toeristen.

Vanuit Kars (in de Bradt gids treffend getypeerd als ‘The armpit of Eastern Turkey’) loopt een weg pal naar de zwaarbewaakte grens met Armenië. De spanning hangt in de lucht en doet ons afvragen hoe geladen de sfeer aan de grenzen met Irak en Syrië is, waar militair vertoon zoals hier daadwerkelijk gerechtvaardigd is. Want hoeveel spookstad Ani ook betekent voor de Armeniërs, meer dan vanaf de overzijde van de Arpaçayrivier toekijken op hun erfgoed kunnen ze niet. Ooit leefden hier 200.000 mensen in een stad die zijn gelijke niet kende. Nu omsluiten de restanten van zandkleurige stadsmuren een lege vlakte vol steenhopen. In Ani, de stad van honderd poorten en duizend kerken, staat nog maar een handjevol gebouwen overeind.

De hoogvlakte van Oost-Turkije daarentegen is verre van uitgestorven. Bij vlagen oogt het hier net zo leeg als de steppe van Centraal-Azië, maar het land wordt bebouwd, of ten minste gebruikt door schaapherders en imkers. Nederzettingen zijn talrijker; steden groter. De onherbergzame steenvlakte van Armenië is niet ver weg, maar in plaats van Yerevan zien we de Azerbeidzjaanse enclave Nahçıvan op de borden staan. Vanaf Tuzluca is de militaire aanwezigheid steeds prominenter. Wegafzettingen van slagbomen en zandzakken worden door bewapende soldaten en pantservoertuigen bewaakt. In praktisch elk dorp zien we een legerbasis in opperste staat van paraatheid. Niet voor niets: regelmatig zijn deze bases en politiekantoren in het oosten van het land doelwit van Koerdische aanslagen.

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken raadt aan alleen naar de provincies Ağrı en Iğdır te reizen als dat noodzakelijk is. Daar sluiten de Britten zich niet bij aan en opportunistisch als ik ben volg ik hun reisadvies: volgens de Britse overheid vormt de weg tussen Bingöl en Elazığ een veilige corridor en hoeven we niet langs de saaiere Zwarte Zeekust te reizen. Maar ook ik moet toegeven dat de sfeer in Doğubayazıt gespannen is. Het is niet dat we niet welkom zijn: geen dreigende blikken, geen militairen die ons lastig vallen. Doğubayazıt is honderd procent Koerdisch en sterke PKK-sentimenten vertalen zich in een groot aantal tanks en andere pantservoertuigen van het Turkse leger in de straten. De Koerden hebben wel iets anders aan hun hoofd dan gasten welkom heten.

Soms bestaat het meer prozaïsche gevaar ook uit te veel betalen voor je bier of, in het geval van de Pool Jakub, je telefoon kwijtraken. Misschien is hij ook wel gewoon gerold. De student Turkse filologie is door het ongerief duidelijk uit zijn comfortzone, maar gelukkig weet hij nog niet wat hij de komende dagen allemaal gaat meemaken. Samen bespreken we onze reisplannen. Jakub raadt onze geplande route door de stad Van en langs de zuidkant van het gelijknamige meer af. Volgens bronnen op internet verslechtert de situatie daar met de dag. Ik stel voor om via Diyarbakır te rijden, wat me op een dreigende blik komt te staan. “Well, there are good ideas and bad ideas,” verzucht Jakub. “And then there’s this idea…” Hij vertelt ons dat de stad eerder dit jaar regelrecht oorlogsgebied was en tientallen lijken wekenlang op straat bleven liggen.

Flexibel als we zijn passen we onze route aan, maar eerst denken we in het İshak Paşa Sarayı terug aan gelukkiger tijden. Wat het plezierpaleis van İshak Paşa mist op gebied van historisch belang – het gebouw is pas twee eeuwen oud en speelde nooit een rol van betekenis in militaire conflicten – wordt ruimschoots gecompenseerd door de gezonde seksuele motieven waarmee de pasja zijn speelkasteel liet bouwen. Een rijk versierd stenen doolhof leidt naar de veertien slaapvertrekken van de harem, waar İshak Paşa zich volgens geshockeerde westerse geschiedschrijvers schuldig maakte aan allerhande excessen. De stemming bij de Urartische ruïnes achter het kasteel is minder frivool. Pessimistisch gestemde Koerden verwijten Jakub dat Turks studeren “het slechtste idee ooit” is. Hun kinderen roepen Jakub en mij na dat we ze geld moeten geven.

Door een lavaveld vol scherpe, zwarte stenen rijden we met onze lifter Jakub naar het zuiden, vlak langs de Iraanse grens. Het heeft wat van IJsland, maar dan bloedheet en met wegversperringen van grote rotsblokken. Het Turkse leger kan de regio effectief isoleren mocht de pleuris in Doğubayazıt uitbreken. Aan het noorden van het Vanmeer is van de spanningen weinig merkbaar. Tientallen schildpadden kruipen loom tussen de puntige türbes en rijk versierde grafstenen van Ahlat. Toch sluimert het Koerdisch verzet overal. Een kasseienweg leidt over de rand van de vulkaan Nemrut Dağı. Vanaf de rand kijken we uit over de dorre hoogvlakte waar we vandaan komen en twee grote meren tussen het weelderige groen 700 meter onder ons. In de nagenoeg intacte krater met een diameter van zeven kilometer ligt een andere wereld verscholen. Compleet met PKK-strijders. “Diyarbakır is veilig,” beweren Ahmad en Rosa. “Voor toeristen in ieder geval. Kom maar langs.” Met de heldere sterrenhemel boven ons blijven we liever in deze veilige, afgesloten wereld die we niet met een miljoen anderen hoeven te delen.

We delen de vulkaan met kikkers, kleine slangen en heel veel schildpadden. Aan de rand van het kleine meer waar we kamperen borrelen luchtbellen op in warme bronnen. En Jakub is interessant gezelschap. Misschien heeft het afslaan van ongewenste avances van Turkse mannen hem veel energie gekost, want ‘s middags schat hij de afstand naar een eiland in het grote meer verkeerd in. Bijna verdrinkt onze lifter in de vulkaan. Hij is de schrik nog maar nauwelijk te boven wanneer we ‘s avonds een beer vlakbij onze kampplek zien lopen. Jakub durft niet meer in zijn tent te slapen, dus we maken een stoel voor in de bus voor hem vrij. Eva en ik houden de achterdeuren nog een tijd open. We willen de beer graag nog eens zien. Tot we de bus voelen trillen – er rent iets langs onze bus; alsof er een paard in volle galop voorbij dendert. Een groep wilde zwijnen? Toch een beer? In paniek trekken we de deuren dicht zonder te weten wat het geraas veroorzaakt.

Eva heeft er spijt van. Een kans om een beer van dichtbij te zien krijg je niet vaak. Misschien ben ik gewoon niet zo dapper. Ik ben in ieder geval niet de enige in de bus. Jakub trekt wit weg zodra hij de volgende dag in de buurt van Muş zijn berichten checkt op Eva’s telefoon. “Jongens, er is gisteren een militaire coup gepleegd in Ankara en İstanbul. De Bosporusbrug is door tanks bezet. Ik heb 33 berichten van vrienden en familie die allemaal willen weten of ik nog leef.” Er zijn 300 doden gevallen, maar over ons maakt niemand zich zorgen. We hebben alleen een nogal laconiek mailtje van Daan gekregen. Die neemt aan dat alles wel goed komt, maar Jakub is daar minder zeker van. “Wat moeten we nu?!” Terug naar Georgië is geen optie, want dat land heeft de grens met Turkije gesloten. De Bosporusbrug, de enige weg die Azië met Europa verbindt, is ook afgesloten. President Erdoğan heeft de noodtoestand uitgeroepen en is een heksenjacht begonnen waarbij binnen korte tijd 10.000 militairen en meer dan 100.000 burgers worden gearresteerd of uit staatsfuncties ontslagen.

Of het tumult zijn weerslag zal hebben op het Koerdisch gebied waar we ons bevinden is onduidelijk – zoals zoveel rondom de coup. We rijden verder naar het westen, voorbij Elazığ waar de PKK een maand later een aanslag pleegt waarbij vijf doden en 217 gewonden vallen. We zien steeds meer Turkse vlaggen uit ramen hangend en aan balkons bevestigd om het neerslaan van de coup te vieren. Het is 41°C en Jakub voelt zich niet lekker. De stress van de coup wordt hem te veel, na de gestolen telefoon, overvloedige aandacht van Turkse mannen, de bijna-dood ervaring in het koude vulkaanmeer en de beer vlakbij zijn tentje. Om de paar kilometer stop ik de bus en gaat Jakub over zijn nek. Het constant vomeren maakt dat er al snel weinig meer uit komt, op een steeds groener kleurend drabje na.

Uitgeput gaat Jakub naast de bus liggen als we ‘s avonds bij Nemrut Dağı parkeren. De andere Nemrut Dağı – een berg waar een koning met grootheidswaanzin 2000 jaar geleden een tumulus voor zichzelf liet oprichten. Het grafmonument staat in geen verhouding tot de grootte van het onbeduidende koninkrijk Commagene. Grootte doet er niet toe, moet koning Antiochus I hebben gedacht. Hoewel, de sculptuur van zichzelf die hij tussen beelden van leeuwen, adelaars en de goden Zeus, Tyche, Mithras en Hercules liet plaatsen, is tamelijk kolossaal. Hoe ziek hij ook is, Jakub kan het niet nalaten in het licht van de ondergaande zon tussen de buitenissige monumenten door te strompelen.

Het is niet door de koude nacht op 2100 meter hoogte, maar door de onophoudelijke braakgeluiden uit Jakubs tent dat ik de slaap niet kan vatten. Ik vrees voor het leven van onze lifter – dit houdt geen mens lang vol. Droge gele vlekken besmeuren de stenen voor zijn tent. De paniek borrelt langzaam op, maar ik wil Ilva, die vandaag jarig is, niet bang maken. De kinderen hebben overal doorheen geslapen en zijn zich van geen kwaad bewust. We zingen voor Ilva in de bus, blazen ballonnen op en ondersteunen Jakub die zo slap als een vaatdoek op de bijrijdersstoel ineenzakt. Nauwelijks hoorbaar vertelt hij dat hij al eerder problemen heeft gehad met zijn alvleesklier, lever en nieren. We hebben geen idee waar het dichtstbijzijnde ziekenhuis zich bevindt. Het verhaal over de dode lifter in Afghanistan dat we eerder deze reis hoorden is ineens een stuk minder leuk.

Het is anderhalf uur rijden naar Kâhta. Het eerste uur over onverharde wegen waarop Jakub bij elke hobbel ineenkrimpt van pijn. Terwijl Ilva en Rune op ice tea en ijsjes worden getrakteerd, begeleid ik de arme jongen naar binnen. Soms worden dingen eerst erger voor ze verbeteren: Jakub krijgt een inwendig onderzoek en verkeerde medicijnen. Ver van huis laten we hem tijdelijk achter in een overwegend Koerdisch provinciestadje waar we geen van allen ooit van hebben gehoord. Ilva’s verjaardag is er niet door verpest: op een camping tussen granaatappel-, pruimen- en appelbomen bouwen we van twee meloenen en een zak chips een geïmproviseerde verjaardagstaart. Zakenmannen delen hun lavash en sač met pittig vlees met ons; de zijden feestjurk uit Bukhara die we Ilva geven zit in een mum van tijd vol vlekken. Het zwembad delen we met een stuk of veertig Turkse mannen. Het kan Ilva niet schelen, maar Eva voelt zich meer op haar gemak in de van kleine kakkerlakken vergeven douches. “Mijn vriendjes,” lacht Rune.

Jakub ziet er verloren uit in zijn lege ziekenhuiskamer. Eva leent hem haar telefoon, zodat hij tenminste even contact kan zoeken met zijn familie. Hoestende oude mannen in bespottelijke şalvarbroeken schuifelen over de gang. Ilva en Rune hebben het vrijgevige personeel van het cafetaria alweer gevonden en scheuren de verpakking van hun ijsjes. We nemen afscheid van Jakub en hopen vurig dat er snel betere tijden voor hem aanbreken. Na twee dagen rijden over de weinig afwisselende hoogvlakte van Anatolië en een nacht wildkamperen naast een niet langer gebruikte bergweg, ontvluchten we de drukkende hitte en precaire politieke situatie van de Koerdische gebieden in een luxe hotel in Cappadocië.

De politieke onrust en terroristische aanslagen van de afgelopen jaren hebben het toeristische Cappadocië geen goed gedaan. De meeste van de in rotsen uitgehakte kamers in ons grottenhotel zijn leeg. Het zwembad en dakterras hebben we voor ons alleen. Op straat in Göreme is het rustig; bij de tientallen souvenirkraampjes is niemand te zien. In cafeetjes in de sprookjesachtige valleien rondom het dorp staat vers geperst sinaasappelsap klaar voor gasten die niet komen. Het heeft iets treurigs, al doen de in rotsen uitgehakte kerken en de grillige rotsformaties vermoeden dat de economische dip niet meer dan tijdelijk zal zijn voor een streek zo mooi als Cappadocië.

“Is het voor jullie allemaal de eerste keer?” vraagt Oğuzla als we om vijf uur ‘s ochtends samen met zes anderen plaatsnemen in de rieten mand voor een ballonvlucht. Rune huilt niet meer nu hij onderin de mand een kijkvenster heeft ontdekt en wat verder van de brullende vlammen verwijderd is. “Ja? Voor mij ook, dus ik ben best zenuwachtig.” Onze ballonvaarder heeft er zin in. Wij ook. De 28 ballonvaartmaatschappijen die Göreme telt stunten met hun prijzen en door het opdrogen van de toeristenstroom hoeven we geen vier dagen te wachten voor er plek is. We zitten niet eens zoals beloofd met 20 tot 24 personen in de mand. Geruisloos glijden we door de lucht. De stilte wordt slechts af en toe onderbroken door het ritmisch openen en sluiten van de gaskraan. En door Oğuzla die keihard “Goeiemorgen!” schreeuwt als we zo’n twintig meter boven het dorp Çavuşin zweven. We horen alle honden van het dorp nog woest blaffen als we even later de zon boven de heuvels uit zien komen om de Rose Valley in een oranje gloed te zetten. Met veel moeite ontwaren we de vorm van een hart in de aangrenzende Love Valley, waar je minder fantasie nodig hebt om iets te zien in de fier omhoog stekende rotspalen met dikke dop erop. Met een fraai staaltje vliegmanskunst landt Oğuzla onze ballon precies op de trailer achter een grote terreinwagen.

Het is heerlijk om na zo lang in een streek te zijn waar alles goed geregeld is voor toeristen. Het voelt alsof we even vakantie nemen tijdens onze reis. En hoezeer Cappadocië ook gewend is aan bezoekers, de Turken laten ook hier zien hoe gastvrij ze zijn. Emine neemt ons mee naar de grottenstad Kaymaklı. Een fantastisch doolhof van vier ondergrondse verdiepingen, al is het er zonder meubels en tapijten erg kaal. Bij haar thuis is het met een flatscreen van 43 inch beduidend minder kaal. We krijgen watermeloen en vegetarische kebab van fastfoodtent Köftedokya. En in een Lada vol flesjes Efes, verse vijgen, pruimen en druiven rijden we met restauranteigenaar Birol bij de Ihlarakloof naar warmwaterbronnen. Hij laat kussens en dekens naar de houten eilandjes in de rivier bij zijn restaurant brengen, waar we onder de sterrenhemel in slaap vallen. Het eerste wat we ‘s ochtends zien is een ijsvogeltje dat op de over het water hangende takken zit. Het tweede het hoofd van Birol, die op het eilandje naast ons wakker wordt.

Zo verwelkomend als gewone Turken zoals Emine en Birol zijn, zo moeilijk te duiden is hun politieke overtuiging voor ons. Beiden vinden Turkije een prachtig land. Een democratisch land: hier mag je zelf kiezen of je een hoofddoek draagt, zelf weten of je bier drinkt. Stokpaardjes waarover we inmiddels vaker hebben gehoord. Onder Erdoğan (of Tayyip, zoals ze hem liefkozend noemen) is het land flink vooruit gegaan. Zonder Turkije als daadkrachtige buffer zou IS veel verder op kunnen rukken vanuit Irak en Syrië. Het is waarschijnlijk waar. En dus krijgt elke vorm van oppositie de wind van voren. Ook van Emine en Birol, die democratie met patriotisme verwarren. Voorzichtige vragen over de vrijheid van meningsuiting worden weggewuifd; voor nuances is geen ruimte. Wie tegen Erdoğan is, is tegen de democratie en moet hard worden aangepakt. Wie niet vaderlandslievend genoeg is, heeft geen recht van spreken in een steeds religieuzer en steeds repressiever Turkije. En zeg nou zelf, wanneer je Turkije vergelijkt met landen waar we eerder door reden (ik noem Oezbekistan, Turkmenistan, Azerbeidzjan), dan komt Erdoğans heilstaat toch minder totalitair uit de bus? Ik krijg weinig bijval als ik het zo breng. Hoe durf ik Turkije met deze schurkenstaten te vergelijken?

In het kader van een politieke trend waarin de president zijn tegenstanders steeds hardhandiger de mond snoert, wordt er echter volop gespeculeerd over de authenticiteit van de coup van vorige week. Was alles misschien geënsceneerd? De hele geschiedenis speelt Erdoğan mooi in de kaart. Maar aan de andere kant, er zijn wel echt mensen gestorven. Mehmet en Adiya uit Oss vertellen – met onvervalst Brabantse tongval – over een kennis die ze hebben verloren. Doodgeschoten. Het toerisme in Boğazkale, ooit het centrum van het Hettitisch Koninkrijk, is al even dood. We zijn de enige gasten op de camping, waar het gras groen is en de boomgaard er verzorgd bij ligt, maar al zo lang niemand meer naar het toilet is geweest dat mijn zak in een spinnenweb hangt zodra ik ga zitten. De twee hotels van de campingeigenaar staan leeg. “Ja, wie durft?” verzucht Mehmet.

Je zou volle hotels verwachten bij het werelderfgoed van Hattuşaş. Touringcars die af en aan rijden voor de sfinxen, de hiërogliefen en de leeuwenpoort. Het tjirpen van de krekels klinkt oorverdovend. De 3500 jaar oude beeldhouwwerken van Yazılıkaya – een processie van 64 Hettitische goden, een reliëf van de twaalf goden van de onderwereld – zijn met het jaar minder goed zichtbaar. Kunstwerken die snel voorgoed verloren zullen zijn. De goden zijn hier talrijker dan de stervelingen.

Safranbolu is minder uitgestorven. Het is druk in de nauwe straatjes tussen de oude, Ottomaanse huizen. Overal zijn kleine winkeltjes, waar naast zeep en Turks fruit opvallend vaak saffraan wordt verkocht. Op borden worden tal van onvermoede kwaliteiten van deze specerij aangeprezen: ‘It strongs your brain!’ Als we de reclame mogen geloven wordt alleen je Engels er niet beter van. Op een camping aan de Zwarte Zee brengen we onze laatste nacht in Azië door, op een even troosteloze plek als de eerste nacht in dit werelddeel in oliestad Atyrau, bijna drie maanden geleden. We staan vlakbij een vuilstort, de douches werken niet en de strandtent blijft gesloten. In de branding ligt een autoband. Ilva en Rune zien het niet. Ze vermaken zich prima.

De brug die hier twee werelddelen met elkaar verbindt is een stuk indrukwekkender dan die in Atyrau. Hoog boven de Bosporus rijden we over de net hernoemde Martelaren van 15 Juli Brug İstanbul binnen. Groene heuvels, moskeeën en een aan de brug wapperende, reusachtige Turkse vlag heten ons welkom in Europa. Op het water onder ons varen enorme olietankers tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee. De stad van twintig miljoen inwoners strekt zich aan alle zijden van ons uit, maar in het historische stadscentrum Sultanahmet vinden we een oase van rust. Vanuit de afgesloten tuin van ons appartement, bovenop de oude stadsmuren, kijken we uit over de Zee van Marmara. We zijn de enige gasten.

Het contrast met mijn vorige bezoek aan İstanbul is groot: met onze bus door de stad rijden is goed te doen, er staat geen wachtrij bij de Ayasofia en in de wijk Sultanahmet alleen al zijn de afgelopen maanden 65 hotels gesloten. “In Antalya zijn het er meer dan duizend,” volgens een uit het lood geslagen hoteleigenaar. De straten zijn te rustig en in een futiel gebaar om meer toeristen te trekken heeft de overheid het openbaar vervoer in İstanbul tijdelijk gratis gemaakt. De meeste terrasjes blijven echter leeg en het overgrote deel van de toeristen die we zien komt uit eigen land. Alleen in de Sultan Ahmet Camii, de Blauwe Moskee, is het druk. Hier zijn gesluierde vrouwen, vrouwen in burka en mannen met grote baarden bijeen gekomen voor het gebed. Op populaire plaatsen als het Hippodroom en de spookachtig verlichte, onderaardse gewelven van de Basilica Cisterne is het een stuk rustiger.

“Oh, de Cisterne? Kom maar eens mee,” wenkt onze gastheer Taner. We dalen een stenen trap af in een ondergrondse opslagplaats in de tuin, waar we hetzelfde soort pilaren zien van het onderaards gewelf waar deze hele wijk op rust. Taner nodigt ons uit voor een barbecue, maar laat zich er niet over uit waarom hij zijn hand nu precies in het verband heeft zitten. “Een aanvaring met een paar opvliegende jongens.” Daar houdt hij het bij. Taner woont in de Verenigde Staten en verblijft deze zomer bij zijn moeder in İstanbul. Een grote, rustige en redelijke man, die lijdt onder de toenemende dreiging van Erdoğan in Turkije en Trump in Amerika. Eerst geloofde hij niet dat de coup echt was, maar hoe langer hij erover nadenkt, des te meer is Taner gaan twijfelen. “Dat Fethullah Gülen en de CIA hierachter zitten staat buiten kijf. Ze willen Turkije verzwakken.” Taner is niet de enige die hiervan overtuigd is. We spreken meer Turken die de Gülenisten niet vertrouwen: “Het is net als in 1980. Ze willen ons niet beïnvloeden, maar het hele land van ons afpakken.” Toen werd er met Amerikaanse steun een coup gepleegd. Het Turkse leger regeerde het land drie jaar lang.

Om te laten zien dat ze zich afzetten tegen ongewenste buitenlandse invloeden lopen aanhangers van Erdoğan met vlaggen van Mustafa Kemal Atatürk, de superheld van alle Turken. Dat deze man religieus onderwijs verbood en een strikte scheiding van staat en geloof wilde doet er niet toe. Nu dwepen moslims met hem. “Ze indoctrineren mijn dochtertje op school met islamitische mores,” vertelt de in Turkije wonende Abchaziër Anit, die we op een rondvaart over de Bosporus ontmoeten. “Ze moet er een hoofddoekje dragen. Het verhaal dat je daar zelf over mag beslissen is propaganda. Turkije is een gevaarlijk land aan het worden. Als je iets verkeerds zegt, zit je zo in de gevangenis. Dit is al lang geen democratisch land meer.” Toch zat Anit niet op een coup te wachten: “Liever dit dan militairen aan de macht, of een burgeroorlog.” De coup leidt de aandacht af van de echte problemen in Turkije. De helft van de Turkse bevolking is moslim, de andere helft seculier. En dan heb je de Koerden nog. Hoe lang gaat dat nog goed?

In de Kapalıça, de grote bazaar, gaat het normale leven door. Met duizend winkeltjes onder één dak en duizend opdringerige verkopers is rustig kijken er niet bij. De stoffen zijn hier toch veel duurder dan in Oezbekistan. In de drukke straatjes tussen de grote bazaar en de Mısır Çarşısı, de kruidenbazaar, doen de Turken zelf hun inkopen. Alles is hier rommeliger, minder opgepoetst, goedkoper. De buikdansoutfits kosten hier maar drie euro. Veel stof is er trouwens ook niet voor gebruikt. Even verderop op de Galatabrug staan tientallen vissers. Medewerkers van het Archeologisch Museum tillen de alomtegenwoordige katten bij Ilva op schoot en halen water en kattenbrokjes. Bij het Topkapı paleis staat zowaar een rij. Het is bijna alsof er niets aan de hand is in İstanbul – als je de agenten met kogelvrije vesten even wegdenkt, die bij hun pantservoertuig poseren met Turkse voorbijgangers.

Ogenschijnlijk mag de rust zijn weergekeerd, de coup blijft iedereen bezighouden. “Who believes this bullshit?! Dit was geen coup. Dit was theater!” schuimbekt een man op straat die zo te zien verstand heeft van toneel. “Dus het leger komt met niet meer dan zeven tanks? Zeven?! Willekeurige passanten kunnen deze beklimmen en tegenhouden?! Laat me niet lachen! Militairen zouden met meer hardware komen en dan om drie uur ‘s nachts, als iedereen slaapt. Ze zouden de elektriciteit uitschakelen en eerst de juiste politici ophalen; niet zichtbaar voor iedereen over de grootste brug van het land rijden!”

Onzichtbaar zijn is voor ons ook prioriteit op onze laatste dag in het land. Het Turkse tolsysteem roept zo mogelijk nog meer vragen op dan de coup. Voor de tolweg waarover we naar İstanbul reden hadden we een transponder moeten kopen op een postkantoor, maar twee pogingen daartoe eindigden zonder succes. In theorie kun je ook achteraf betalen, dus dat proberen we in een derde postkantoor. “Heeft u door de HSG of OSG-poortjes gereden?” Fijn, die vraag kan ik beantwoorden: OSG. “Oh, dan moet u naar de Ziraat Bank.” Dat is ten dele waar: bij de Ziraat Bank verwijzen ze ons naar een tweede filiaal van deze bank. “OSG? Weet u het zeker? Dat is alleen voor Turken. Sorry, maar dan kunnen we u niet verder helpen.”

Mailcontact via de tolwegsite levert vooralsnog geen antwoord op. Misschien kunnen we aan de grens betalen, hopen we nog. Voor de zekerheid mijden we het laatste stuk tolweg. De Turkse overheid sluit op dit moment mensen voor minder op. Maar aan de grens met Griekenland vraagt niemand of we onze rekeningen wel netjes hebben betaald. Pas drie maanden later krijg ik een e-mail terug met het verzoek om twee Turkse lira over te maken. Vijftig eurocent. Voor ons blijft het tolsysteem ondoorgrondelijk, maar met de verbetertips die ik de Turken heb gestuurd moet het in de toekomst goedkomen. Het leidt in ieder geval onze aandacht even af van de echte problemen in het land.

Laag over laag over laag
Tot hier en verder

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*