UNESCO hier, UNESCO daar

Twintig kilometer, max. Zo lang hadden we ervoor nodig. “Dat lampje brandde net nog niet,” klonk het nogal zorgelijk uit Eva’s mond. We waren Teiuş pas net voorbij en wilden vanmiddag Biertan halen; Sighişoara zelfs misschien. De Saksische stadjes leken onbereikbaar, staand naast onze Matiz in de stoffige vlakte van de Mureş-vallei. Check engine. Het stond er echt en het ging niet weg. Het oliepeil was in orde en de ruitenwisservloeistof op. Waarmee we het met onze kennis van auto’s wel zo’n beetje gehad hadden. Laten afkoelen misschien? Een tijd later brandde het lichtje nog steeds. Eva reed rustig en we haalden de volgende plaats. Blaj was wat groter – hier had vast iemand verstand van Daewoo’s van Roemeense makelijk.

Eerst de verhuurder maar eens bellen. Na een half uurtje had hij iemand gevonden die ons kon adviseren. “Gewoon doorrijden,” luidde het devies. “Als de benzine niet 100% zuiver is, gaat het lampje branden. Een fijne dag nog.” Roemenen… Zuivere benzine was in dit land blijkbaar een stuk zeldzamer dan palinca. Palinca, dat in geval van nood immers prima dienst doet als brandstof voor de Dacia’s. Met het gevolg dat het onmogelijk te zeggen was wanneer er echt iets met de motor aan de hand was. Die motor begon trouwens steeds Roemeenser te klinken. Het ding rammelde na de tocht naar Piatra Craivii beduidend meer dan enkele dagen geleden in Bucureşti. De uitstulping op de rechtervoorband beviel ons ook allerminst. En zouden ze bij Autonom iets zeggen van de deuk in de achterklep? Kon ik er wat aan doen dat dat blik zo makkelijk indeukte.

Die hebben ze niet bij de IKEA (EH)

Saksenland. De auto had er misschien geen zin in, maar wij des te meer. De eerste burchtkerk waakte dreigend over het dorpje Tapu. Copşa Mică bood eveneens een fotogenieke aanblik, maar om heel andere redenen. Zwart beslagen fabrieken, schoorstenen die alle bewoning in de nabijheid in de schaduw stelden. De meest vervuilde stad van Roemenië liet Oost-Europa zien zoals de Russen het bedoeld hadden. Industriële triestheid die alle kleur uit de omgeving leek op te slurpen. Maar ook hier zijn de dagen van het communisme lang vervlogen en tegenwoordig wordt al lang niet meer tweederde van alle kinderen met geestelijke afwijkingen geboren. We vluchtten in het verleden en reden opgelucht door Mediaş. De kasteelkerk uit 1447 domineert het centrum van de stad, waar de snelweg naar Sighişoara – hoe kan het ook anders – dwars doorheen loopt. Volgende mega-oude kerk: Brateiu. Hier bleven we niet. Door werkelijk iedereen langs de weg werden we strak in de ogen gekeken. Achteraf ontdekten we dat Brateiu een zigeunerstonghold is. In onze Matiz met Roemeens kenteken werden we misschien niet als buitenlanders herkend, maar op mijn gemak voelde ik me er niet. Eva wel, die vond het leuk.

Het begon al te schemeren toen we Biertan bereikten. Tegen het ommuurde stadscentrum met de verstevigde kerk lag het Ungelus restaurant genesteld. Daar moest ook een pension zijn, had ik op internet gezien. De prijzen stonden er helaas niet bij en Eva durfde niet naar binnen. Ongelofelijk. Lachen om zigeuners, maar bang zijn om de prijs van een hotelkamer te vragen. Toegegeven, het zag er wat boven ons budget uit. Een verdieping of twee. Die twee trappen beklom ik dus in m’n eentje, terwijl Eva in de auto bleef wachten. In een wat elitair aandoend restaurant wachtten mij twee bedienden die geen woord Engels spraken. “Wat kost dat nou, zo’n kamer hier?”, vroeg ik in m’n beste Roemeens. “Anderhalf miljoen oude lei,” vertelde de serveerster me. Even zien… vier nullen eraf, delen door vier… twintig euro per persoon dus? “Prima, even de vrouw uit de auto halen!”

Even later begeleidde een andere medewerkster ons naar het – na de burchtkerk en het restaurant – mooiste gebouw in Biertan. “Is het echt niet duurder?” Eva was er nog steeds niet gerust op. Dat veranderde al zeker niet bij de aanblik van het interieur van het hotel. “Is deze kamer goed?”, vroeg het meisje. Biertan zag zelfs ‘s winters zwart van de toeristen, verklaarde ze. Waarom hier niemand Engels sprak en waarom wij dan de enige gasten waren bleef vooralsnog onduidelijk. Op de kamer was niets aan te merken, bedankte ik in het Roemeens. Ze vond ons volgens mij wel sympathiek, zo overdonderd samen en beleefd Roemeens sprekend. “Of hebben jullie liever een kamer met bad? Loop maar even mee naar mijn favoriete kamer,” wenkte ze.

Had ik al gezegd dat we overdonderd waren? Daar was ik dan iets te vroeg mee. De lichten van een reusachtige hotelkamer werden voor ons aangeknipt. Een kamer als deze zou niet misstaan in de meer glamoureuze pornofilm. Plasma-tv. Satijnen gordijnen. Minibar. Groot ligbad. Goudkleurige ledikanten. Hoogpolig tapijt van drie bij vijf meter voor een grote spiegel. O ja. Eva had helemaal gelijk dat ze de prijs niet had durven vragen, maar om de een of andere reden hoefden we ook voor deze kamer maar twintig euro per persoon te betalen. “Het duurt een half uurtje voor de verwarming begint te lopen en je in bad kunt,” kwam een andere medewerker – eens temeer in het Roemeens – uitleggen. “Morgen kun je vanaf acht uur ontbijten in het restaurant. Ja, dat is bij de prijs inbegrepen,” glimlachte hij om mijn verbaasde blik.

Burchtkerk Copsã Mare (EH)

Dat restaurant was trouwens ook niet mis. Kijk, enkele jaren geleden had je ook al van dit soort tenten in Roemenië. Zware eikenhouten tronen (dit kon je geen stoelen meer noemen) met lederen zitvlak. Ridderhelmen die dienst deden als lamp aan de muur, leuke maliënkoldertjes er vlak onder. Een in zwaar leer gebonden boekwerk als menu; alles wat erop stond hadden ze ook. Maar er waren altijd wel vaasjes met plastic bloemen die volgens de bediening niet tegen alle regels van de goede smaak in druisten. Of er stond een zatte kerel achter een keyboard. Meestal was dat leuk en soms had het zelfs wat vertederends, maar de Blackmore Knights zorgden vandaag gelukkig voor gepastere achtergrondmuziek. We lieten ons het Koninginnemaal en de tochitură viteazului goed smaken. Wat niet veranderd was sinds 1999: het kostte allemaal nog steeds geen flikker.

De burchtkerk van Biertan was een enorm geval. Begrijpelijk dat die op de UNESCO-lijst van werelderfgoed staat. Een overdekte houten trap leidde omhoog naar de top van de ommuurde heuvel, waar enkele losstaande torens de 15e-eeuwse kerk vergezelden. Nu was het al mooi, maar het wordt er nog veel mooier. Het plein in het centrum van het dorp werd opgeknapt en in oranje pakken gehulde mannen vingen zwerfhonden om ze te castreren of er soep van te maken. Roemenië is goed bezig – al viel hier wel ontzettend op dat in de dorpen nog bijna niemand auto rijdt. In de steden wordt de Dacia 1300 langzaam uit het straatbeeld verdrongen door meer glimmende en grotere, westerse auto’s. Hier reed men nog bij voorkeur – of bij gebrek aan geld – per paard en wagen door de modder.

Parkeerplek zat dus. De kerk die Richiş domineerde hadden we gauw gezien, maar Copşa Mare was fraaier. Een slingerend zandpad vol kuilen eindigde voor opnieuw een magnifieke, zware burchtkerk die het dorp haar karakter verleende. Een oud vrouwtje schuifelde op ons af zodra we de portieren sloten en streelde Eva over haar blonde haren. “Zo mooi, zo mooi,” lachte ze een charmante bejaardenlach. Helemaal mee eens. Jullie middeleeuwse torens mogen er trouwens ook zijn. Via talloze andere eeuwenoude kerken en kastelen dan wel ruïnes op heuvels langs de hoofdweg reden we op Braşov aan. Ondanks de indrukwekkende Zwarte Kerk en het sprookjesachtige Saksische stadsgezicht geen UNESCO-plek, maar omdat Bogdan vandaag gewoon moest werken, hadden we nog even tijd voor een kort weerzien met Sighişoara. Met zijn veertien torens en bastions is een bezoek aan de citadel nog altijd een reis terug in de tijd. Wie enthousiast is over Ceský Krumlov moest zich schamen, want hier is het te doen.

Onverschrokken doorstappend in ijzige koude (EH)

Nou ja, niet voor ons, want Bogdan had ons sarmale en palinca beloofd. Ik rij voor minder honderden kilometers. Bobo zag er als Roemeense maffia uit. Niet dat die bestaat, maar belangstellenden zouden contact met hem op kunnen nemen. In zijn zwarte pak, korte haren (het blijft wennen – als hij echt voor een carrière in de georganiseerde misdaad had gekozen zou een paardenstaart beter hebben gestaan bij zijn baardje) en dure auto reed hij voor ons uit naar de buitenwijken van Braşov. Dure auto’s voor troosteloze, betonnen flats, waar we ook keken. En tussen al die statussymbolen minder welgestelde Roemenen die stenen van grote hopen stalen en ze achterin hun Dacia’s gooiden. “Dè zen schòn kiezels vur thuis,” zag ik ze denken. Na de sarmale bleken ook Bogdan en Alina de Pedaalridders geweldig te vinden. MAD en Catan bleven in de kast en zelfs de plosnită en gîndac konden hen niet op andere gedachten brengen.

Onze dag was al goed toen we de volgende ochtend Bogdans chagrijnige kop zagen. Mompelend gromde hij iets over ‘vrije dag’ en ‘te vroeg’ toen hij in zijn pyjama naar de keuken schuifelde. Pech voor jou, Bobo, want wij hadden nog geen sneeuw gezien. Er was dus geen discussie mogelijk: we moesten naar Patria Hoţilor (‘Boevenland’), zoals Bogdan Prahova noemde. De zevende sector van Bucureşti. Gezeur natuurlijk, want eenmaal in de kabelbaan vanaf Buşteni was het helemaal zo druk nog niet. “Maar op vrijdagmiddag staat er één aaneengesloten file tussen Bucureşti en Buşteni,” verzekerde Bogdan ons. “En geen van die eikels uit de hoofdstad denkt na bij wat ie doet. Als de reddingsbrigades van Salvamont weer zo’n lul op gymschoenen uit de sneeuw moeten helpen, slaan ze die Boekaresters eerst flink in elkaar. Dan laten ze het wel uit hun hoofd er in de winter nog eens zonder bergschoenen op uit te trekken.” Ja, voorkomen is beter dan genezen.

Op 2200 meter hoogte lag Babele in een verblindend wit sneeuwlandschap. Eindelijk sneeuw! Een straffe wind joeg over het Bucegi; aan de overkant van de Prahova-vallei zagen we het Baiu-gebergte eveneens met sneeuw bedekt. We zakten regelmatig kniediep weg op onze tocht naar Monumentul Eroilor. Het kruis ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog is vanaf Buşteni al duidelijk zichtbaar tegen de gekartelde contouren van het hooggebergte. Zes geiten later waren we alweer op weg naar het dal en daarna met een eigen schaap (“Half zo duur als in Nederland,” rekende Eva de winst van de dag uit) terug naar Braşov. Vloekend slingerde Bogdan tussen de gaten in de weg. De wegen werden elk jaar door hetzelfde bedrijf ‘hersteld’; een monopolie dat hen in staat stelde zichzelf werk te blijven verschaffen, want elke winter werden de reparaties van dat jaar teniet gedaan door hevige regen- en/of sneeuwval.

Als Bogdan niet op de weg hoefde te tieren, dan schold hij Alina wel uit. Alina was namelijk de Bob en reed niet geheel naar de wensen van meneer. Wat fijn als een van je vrienden ervoor zorgt dat je zelf een goeie beurt maakt. Die nacht zagen we al het moois van Braşovs middeleeuwse centrum nog één keer: de Touwstraat (schijnbaar de smalste straat van Europa, maar ik paste er door zonder zijwaarts te hoeven lopen), de Witte en Zwarte Toren, de Zwarte Kerk, het Raadhuisplein, het Kleermakersbastion. Heel Catan in het echt. Of de Efteling in het groot. Bogdan en Alina willen naar Canada deze zomer, vertelden ze in een cafeetje bij de stadsmuur. Als het niet lukte naar Noorwegen, op de motor. Wij niet. Wij krijgen maar geen genoeg van Roemenië.

TBS
The Mouse that Roared

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*