Vachtjes aaien

Het einde der wereld kwam er weer aan en wij keken er al een jaar naar uit. Twaalf lange maanden moesten we erop wachten – veel te lang, maar zelden was de voorpret zo groot. Het begon ermee dat onze vaste groep zou worden uitgebreid met één persoon. Na het heidens feestgedruis op Ultima Ratio in Oberhausen wilde Nelleke ook mee. Het zou Gijs er vast niet van weerhouden zich te misdragen, maar het betekende wel meer worteltjes op Ragnarök dit jaar. Rudolf wist dat Karin mee wilde. Iets teveel uitbreiding op het vrouwelijk front, naar Eva’s zin. En zeg nou zelf, met z’n zevenen in twee auto’s waar we altijd een bezetting van om en nabij de 450 kilo per vehikel nastreven (onze en vooral Rudi’s bagage niet meegerekend)? Op een uit de hand gelopen feestje in de tuin van Gijs en Nelleke – struiken in de brand, een aantal comateuze gevallen, flunkyball – benaderden we Antoine en Joost.

Wat Antoine buiten feestjes met zijn leven doet is mij altijd vaag gebleven en ik ging er dan ook vanuit dat hij wel zou kunnen. Joost liet het op kop of munt aankomen, al zouden al die hoempabandjes hem worst wezen. Worst zelf daarentegen, het voedsel van intellectuelen en schrijvers, was wel een onmiskenbaar pluspunt aan een festival in Duitsland. Daarmee kwam onze groep dus op een totaal van negen personen. Pagan metal zit in de lift; als we niet uitkijken is het binnen een paar jaar mainstream. Menig true metalfan klaagde steen en been over de 5000 bezoekers die Ragnarök dit jaar trok – meer dan een verdubbeling ten opzichte van 2006.

Ook de line-up zorgde wekelijks voor opgewonden mailtjes over en weer. De pagan metal uit Thüringen was weer als vanouds vertegenwoordigd, we zouden onze Roemeense vrienden weer zien en als toetje zou er zelfs een heuse piratenmetalband spelen. Opblaaspapegaaien en ooglapjes werden in huis gehaald om er meteen de eerste festivalmiddag al een bruisend feest van te maken. De tropische kleuren stonden vast goed bij het witte festivalshirt met pofmouwtjes dat de anderen vreemd genoeg niet hadden aangeschaft.

De voorpret kon beginnen

Edoch, de voorpret duurde net niet lang genoeg. Vier dagen voor onze pelgrimstocht naar Lichtenfels hoorden we van Nelleke dat ze niet mee zou gaan na het overlijden van haar opa. Ook Gijs besefte dat Ragnarök niet de plaats was waar hij dat weekend nodig was. Daarvoor haakte Karin al af wegens een gebrek aan toewijding aan het genre. Ons gezelschap was dus teruggebracht van negen naar zes. Toch zaten we vrijdagochtend om half acht met z’n achten in de auto’s. Daan had zijn minstens even drukke broer’tje’ Marijn meegesleurd (getuige zijn uitdossing niet bekend met de affaire Taake van vorig jaar); de avond ervoor belde Alina dat ze mee wilde om haar vriendje Edy van Negură Bunget weer eens te zien. Mokkend plaatsten Daan en Marijn hun bagage tussen zich in op de achterbank. Rudolf was zo te zien van zes personen uitgegaan en had van de gelegenheid gebruik gemaakt om de kofferbak tot de rand te vullen. Het laatste ticket waren we gauw kwijt in de rij.

Al voor de vaste stops bij tankstations Am Haarstrang en Großmoor bleek dat de combinatie van een langzamere Mazda en een gebrekkig vermogen van Rudi om logische beslissingen te nemen erin resulteerde dat we lang op hun auto moesten wachten. Ok, onze Golf haalde wel 190 km/uur zonder dat er dingen “Plof!” zeiden (harder durfde ik niet; de teller gaat maar tot 200), waar de slurpende Mazda 150 km/uur wel welletjes vond. Maar het verschil werd vooral gemaakt doordat Rudolf dacht dat het handig was vanaf de snelweg helemaal naar Kleve te rijden om daar te tanken. Drie kwartier na ons arriveerden de pipo’s op het tankstation.

Onze tenten stonden dus al lang en breed toen de Mazda Bad Staffelstein binnen reed. Dat kamperen kon nog wel eens frisjes blijken trouwens. Besneeuwde heuvels lagen te schitteren in de zon zodra we Freistaat Bayern binnenreden. Dat was echter van later zorg en als het aan de parkeersituatie in Lichtenfels lag van zeer veel later zorg. De parkeerplaats op het festivalterrein stond stampvol. Langs de Main, waar het vorig jaar geen probleem was om een plekje te vinden, was het niet veel beter. Eenrichtingswegen waren gereduceerd tot geenrichtingswegen dankzij eigenwijze tegenliggers. Lifters stapten in stilstaande auto’s in; dronken Duitsers juichten ons toe. Doordat alle auto’s op de handrem stonden kregen we geen plekje vrij geduwd, maar na een half uur durende opstopping konden we de wagens toch parkeren. Over het voetbalveld spoedden we ons naar de Stadthalle. Het stond hier trouwens vol tentjes – Bad Staffelstein kan volgend jaar een dikke krijgen.

Op de camping hadden we al geloot wie er Bob zou zijn. Eva had deze rol al vrijwillig op zich genomen; Rudi zou de tweede dag rijden maar wilde zich vandaag bezatten. Daan en Marijn grijnsden dat ze geen rijbewijs hadden, dus het ging tussen Antoine, Joost en mij.”Dat houdt in dat Fiepke het niet wordt,” was de algemene consensus. Op mijn aanbod in dat geval de strootjes voor Antoine en Joost te zoeken werd negatief gereageerd. Zoals verwacht trok Joost aan het kortste eind en toen Antoine zich drie minuten later realiseerde wat dat eigenlijk inhield eiste hij snel een halve liter Franziskaner voor zich op. Toen we te verstaan kregen dat we onze flessen niet mee het festivalterrein op mochten nemen hadden we al een liter bier op.

Het bier mocht weer vloeien (EH)

De stemming zat er dus al goed in, maar we waren nog niet binnen. “Als je geen flessen mee mag nemen, mag een mes vast ook niet,” redeneerde Rudi, in het geheel niet afgeleid door een wild bebaarde barbaar die een stuk ham van driekwart meter in zijn handen hield. Het mes had nog wel emotionele waarde. Joost had geen zin in moeilijk doen en verstopte het mes voor Rudolf zich kon bedenken. Een festivalbandje rijker voegden wij ons in de rij en even later stonden we op het geheel herziene binnenterrein. Afgezet met hekken, daarop kleurige doeken met Keltische motieven bevestigd, was dit een hele verbetering ten opzichte van vorig jaar. Hier stonden een paar bankjes, een merchandisetent en er liepen heel wat heidenen met zachte vachtjes om hun schouders. We aaiden wat we te pakken konden krijgen, wat ons dan weer op verbaasde, dan weer op geamuseerde gezichten kwam te staan. Daan mocht zelfs een keer de voorkant aaien toen een Duitser zijn fraaie baard naar hem toedraaide. Boven de ingang hing een grote vlag met de tekst ‘Free Tibet!’. Ja ja, dus zoveel waren alle statements over dat metal vrij moest zijn van politiek dus waard. Op de binnenplaats sloegen ook enkele malen per dag in maliënkolders gestoken ridders met zwaarden en bijlen op elkaar in. Die mochten best worden angefeiert, vonden wij. Goeie stuurlui dat we zijn gaven we de vechtersbazen gouden tips. “In zijn tenen!” “Pak ‘m, nu kijkt ie niet!” Hoewel bloedeloos toch bijzonder vermakelijk. Soms had er één zelfs echt pijn.

We zagen nog net de laatste twee liedjes van Svartsot, een band die ik absoluut niet wilde missen. Jammer van die verkeeropstopping; het was meteen springen geblazen op de Vikingdeuntjes uit Denemarken. De cd ‘Ravnenes Saga’ had ik na een luisterbeurt naar aanleiding van de aankondiging op de Ragnaröksite gelijk aangeschaft en in het echt waren de fluitriedeltjes al even vrolijk. Het leek nog het meest op een vader-zoon uitje wat we hier te zien kregen. Een Deen met imposante, grijze baard voerde de in maliënkolders geklede troep aan. Tralalametal, volgens Alina, en dat hoorden we op dit moment het liefst bij onze halve liters.

Naast Nelleke, Gijs en Karin hadden ook de Schotse piraten van Alestorm kort voor de aanvang van het festival afgezegd. Een flinke domper op de feestvreugde, maar gelukkig wisten we het al voor we in de auto naar Duitsland stapten. Anders hadden we mooi voor joker gelopen met onze papegaaien, plastic haken en piratenvlaggen. Van de thuis uitgeprinte speelvolgorde klopte dientengevolge geen zak meer. Aan de beurt was Norther. Net als vorig jaar had een Finse headliner een bevriend bandje meegenomen waar niemand op zat te wachten. Het gaf ons mooi de gelegenheid de eerste dürüm döner naar binnen te werken. De worstentent was ons nu echt te schoon en bovendien verkocht de Turk halve liters voor 1,60 euro. Het Kroateninsel blijft vooralsnog op de verlanglijst voor volgend jaar staan.

Weer terug binnen waren de met plastic Vikinghelmen getooide posers van Norther nog steeds niet klaar met hun flauwekul. Dan de regels van Antoinedarts nog maar eens doornemen. Het is een gegeven dat Antoine vroeg of laat ergens crasht als er bier wordt geschonken. De vraag is waar. Met behulp van de houten dakspanten deelden Joost en ik de Stadthalle in in 25 vakken. De letters A t/m E nummers 1 t/m 5. De vijfde rij was de tribune – samen met de trappen een erg waarschijnlijke optie. Omdat Antoine er nu al vaag uitzag liet ik me verleiden tot een gok op een bliksemtreffer in vak B4, waar we ons nu bevonden. Eva noemde A5, al had ze de indeling niet helemaal begrepen en bleef ze lang in de veronderstelling dat de nummering tot de zes liep.

Carnaval, maar dan wèl leuk

Rudi was aan het tanken dat het een lieve lust was. Samen met Antoine ging hij al snel op grote bekers mede over (evenwel zonder shag, waar dit bij Antoine regelmatig in grote hoeveelheden in zijn drankjes dreef), wat ons deed besluiten hem ook in het dartsgebeuren op te nemen. Vandaag zou Rudolf immers voor twee dagen drinken. Vooral Marijn was in zijn nopjes toen Norther het podium ruimde, want nu zou Sworn aantreden. Die had hij in Noorwegen al eens gezien. Black metal zonder poespas – joechei! De mannetjes die nu het podium op kwamen leken echter niet zo op wat Marijn zich herinnerde. Dat zat zo: de gitaren van Sworn zaten in het verkeerde vliegtuig. Agalloch uit de Verenigde Staten deed niet flauw en ruilde met de Noren. Op cd klonk het beter, zeker de zanger, maar de langzame doom was best te pruimen.

We mochten Agalloch niet met z’n allen aanschouwen, want in de veronderstelling dat Sworn zou spelen bleek dat niet iedereen van onze vrienden true Norwegian black metal even hoog in het vaandel had staan als Marijn en ik. Zij niet alleen, zo bleek, want wat werd er achteraf door veel Duitsers gevloekt dat ze Agalloch gemist hadden. Voor de kale, bebaarde mannetjes van Skyforger was iedereen weer present. “Ik wist niet dat je ook plank kon spelen!”, riep Joost enthousiast uit bij het zien van één van de zelf gefabriceerde, middeleeuws aandoende instrumenten. Eva en ik zagen de Letten nu al voor de vierde keer, maar vervelen deden ze nog steeds niet. Met hun doedelzakken en folkloristische liedjes veranderde Skyforger de hal in één dansende mensenmassa.

Daarna kwam alsnog de oldschool black metal waar nu het halve publiek niet op zat te wachten. Goed, Agalloch was een stuk melodieuzer, maar even met de haren zwieren bij Sworn was ook leuk. Een soort van warming-up voor de volgende band: Turisas. Naar Holmgard en nog verder, maar helaas zonder Eva. We raakten haar kwijt en hoewel het roodharige meisje uit Berlijn dat me vastgreep en niet meer los wilde laten heel aardig was, kon ze me toch minder bekoren. Met ‘The Varangian Way’ hadden de roodbeschilderde flapdrollen een meezinger van jewelste geproduceerd. Ik moest mijn aandacht echter verdelen tussen het enerzijds uit volle borst met de Berlijnse meezingen van ‘To Holmgard and Beyond’, ‘In the Court of Jarisleif’, ‘Rasputin’ en ‘Miklagard Overture’, en anderzijds het staande houden van onze Rudi.

Rudolf was namelijk al ver over de helft van zijn drinkschema en had met zijn gewankel zo’n twee bij twee meter nodig. Daar niemand vak C2 had geraden besloot ik het spelletje gaande te houden en Rudi overeind. Daar dacht de rest van het publiek anders over. Het was zij en honderd kilo Rudolf tegen mijn ene arm, daar de roodharige dame rechts van mij de andere nog altijd niet los wilde laten. Misschien leek het wel op dansen; we legden in ieder geval heel wat meters af met z’n drieën, terwijl ik de Vikingreizen over Russische rivieren opnieuw beleefde.

Mede - koppijn gegarandeerd

“En nu ga ik m’n maag eens legen,” was de conclusie van Rudolf na al dat gehos. Rudi kwijt, alle vrouwen kwijt, stem kwijt, maar buiten stonden zowaar kachels om me aan te warmen. Echt veel hielp het afstand doen van de maaginhoud niet, maar Rudi was in ieder geval op tijd terug voor zijn favoriete Ragnarökband Primordial. Altijd vette shizzle, die Ieren, maar ik herinner me er niet veel meer van. Antoine ook niet. Met drankjes op weg naar ons vond ie het op de trap naar boven mooi geweest. Vak A4 – Eva zat er eerlijk is eerlijk het dichtst bij. En wij maar dorst lijden. De Hongaren van Sear Bliss speelden vervolgens tragere deuntjes, maar dan wel met trombone. Joost en ik grepen de kans om vanaf de tribune airtrombone te spelen met beide handen aan. In de auto verbaasde meneer zich nog over black metal met saxofoon, maar ook dit blaasinstrument bleek een geslaagde toevoeging. Na zoveel moois hadden alleen Marijn en ik nog puf voor het Oostenrijkse Hellsaw. Rechttoe rechtaan black, zelfs met corpse paint. Traditioneel geknuppel, ja ja! De möchtegern-metallers waren al naar huis gereden, maar Antoine, Eva, Marijn en ik gingen nog even door, ook omdat we buiten niet zo gauw van een zatte Duitser afkwamen.

De volgende ochtend was al voorbij voor we wakker werden. Ik hoefde echter maar “Dürüm-ontbijt!” te roepen of iedereen stond binnen enkele minuten voor z’n tent. Uitstekend idee, na de gevangenisdouches van de camping. Een eigenwijze Joost (wanneer niet?) claimde een betere parkeerplek te weten, reed totaal verkeerd, keerde de wagen op een verlaten industrieterrein, zwaaide en reed richting festival. Hier bleek het plannetje in rook op te gaan, waarna Eva het beter wist (ja – wanneer niet?). Het viel Antoine op dat Eva veel beter reed dan zijn moeder, waarop Eva niet goed wist hoe te reageren. Ons uitslapen had tot gevolg dat we drie bands hadden gemist, waarvan één als kiespijn, maar voor Trollfest waren we nog op tijd. De groene ballonletters vormden één van de kekste logo’s van het hele festival en de muziek van de Noren was navenant. Brullende trollen, hondengeblaf en iedereen was uitgenodigd om mede te drinken.

Daar was de plaatselijke middenstand al vanuit gegaan. ‘Met’, stond er met grote letters op een bord buiten de slijterij. We renden hals over kop naar binnen (Minas Morgul viel tegen, net als op Ultima Ratio) en sloegen net als elke andere rechtgeaarde heiden enkele flessen in. Het is niet te zuipen en een kater is gegarandeerd, maar Trollfest wist bij ons de juiste snaar te raken. Verder stonden er keelpastilles, wortels, worst, zuurkoolsap, bier en dürüm op de boodschappenlijst. Zuurkoolsap konden we tot onze grote vreugde niet vinden; bier en dürüm des te meer. Ook de Duitsers hadden het bier zo te zien gevonden. Achter een muurtje lag een laveloos figuur. “Hey, könnst du mir aufhilfen?”, riep hij me met hoorbare moeite toe. Een vijflitervaatje bier klemde hij nog tegen zijn borst. De halve Fin bedankte me, vroeg hoe laat Helrunar begon, vervloekte Nederlanders in het algemeen en zwalkte weg van het festival.

Nu hadden we donker bier in de auto; een goede combinatie met onze Ragnarök-statiegeldbekers. De security deed niet flauw – je mocht alles gewoon mee naar binnen nemen. Zo was het Duitse Wolfchant nog enigszins te genieten. Uit Bayern in plaats van Thüringen, en dat hoor je toch. Antoine oogste scheve blikken door op de stille momenten tussen de nummers door op maximaal volume “Wolfschwanz!” te scanderen. Voor ons een welkome afwisseling na zijn frequent gebezigde “Titt’n-Arsch!”. Daarna was Thüringen wel aan zet, al luister ik nu, tijdens het schrijven, met veel plezier naar Wolfschwanz. De hippies van XIV Dark Centuries verklaarden dat pagan metal iets met natuurverbondenheid van doen had en dat iedereen zijn afval netjes op moest ruimen. Duizenden vuisten de lucht in; instemmend gejoel. Zo’n vredelievend festivalvolk kon er onmogelijk bezwaar tegen hebben dat we hun vachtjes aaiden, dus daar gingen Daan en ik vrolijk mee door. Of het door ons kwam weten we niet, maar het dode dierengehalte in het publiek was bij de volgende band een stuk lager. Het was bij het Finse Battlelore zelfs lekker rustig; we konden zonder moeite vrijwel vooraan staan. Dit was dan ook op Tolkien geïnspireerde, epische metal. Met zangeres. Het stond me op zo’n festival met louter fijne bands snel tegen, terwijl ik het thuis nog wel eens op wil zetten.

Wat een vrouw...

Een laatste plundertocht door de merchandisetent behoorde tot de festivalverplichtingen, waardoor ik Helrunar helaas miste. Op Ultima Ratio had ik ze nog gezien, maar toch had ik er spijt van. Rudi en zelfs Joost waren vol lof, ik met een tas vol cd’s. Klaar voor het laatste, uitputtende deel van het programma. Zes geniale bands, zeven uur lang verplichte kost. Niks geen Ragnarök, dit was Walhalla. Als ik Eva niet al had, dan had ik vanavond mijn droomvrouw ontmoet. Gehuld in zachte vachtjes verscheen de zangeres van Arkona uit de rook die over het podium cirkelde. Russische klederdracht en vachtjes, lange blonde haren. Toen had ik haar nog niet eens horen zingen. Zangeressen horen niet thuis in metalbands, dat weet elke zichzelf serieus nemende rocker. Sexy, onverstaanbare zangeressen die wild springend de Oost-Europese folkore bezingen uitgezonderd, dat wel. Zelfs zonder sessiemuzikanten met drukke fluitjes, doedelzakken en andere Slavische tierlantijnen was het feest met Arkona, mijn favoriete Ragnarökband dit jaar. Waarna mijn klomp brak, want toen begon de fraaie zangeres te grunten. Bij het luisteren van de mp3’s op hun website verkeerde ik in de veronderstelling naar duetjes met een manspersoon te luisteren, maar menig metalzanger kan slechts in de schaduw staan van deze Russin. Een diep, rauw gebrul bracht vijfduizend man in extase. Wat een vrouw.

Het was hierna voor Menhir geen doen met hun lieflijke, rustige liederen. De heidenen uit Thüringen deden hun best, maar er was na het explosieve optreden van Arkona geen beginnen aan. Daar kon geen Hildebrandslied tegenop, hoe goed Menhir ook is. Ik moest in ieder geval even gaan zitten na zoveel moois. Joost niet, want het was tijd voor zijn favoriete Ragnarökband, tevens ook hoogste tijd om vervelend te doen. “Waar was je tijdens Haggard?”, bleef hij me na afloop glunderend vragen. Hij was in vak C1 of C2 en vervelend, vertelde hij trots. Een middeleeuws spektakel met een stuk of tig spelers, dat is het Oostenrijkse Haggard. Het publiek en de band moesten voor de gelegenheid even van plaats wisselen. Met Arkona wisselden we ook al haast van plaats. Na Haggard haastten we ons met gezwinde spoed naar de signeersessie van onze slachtoffers. Dat zachte vachtje van de zangeres moest en zou geaaid worden. In ons enthousiasme bedolven we de verschrikte Russen haast onder de tafel, die blijkbaar niet in de grond verankerd stond. “May we stroke your fur?”, vroegen we in koor. Een stuk of zeven gretige handen strekten zich uit naar de zangeres, die ons verzoek misschien wel heel anders interpreteerde. Wij waren in ieder geval content.

Iedereen kon weer op z’n normale plaats staan bij de vier Zweden van death metal elite Unleashed. “Met echt wel het vetste logo van alle bands hier”, klonk Joost als een plaat die bleef hangen. Flink met de haren zwaaien op diep uit de keel voortgebracht gerochel. Oldschool death zoals het bedoeld is. Joost en consorten rookten zelfvergenoegd een sigaartje, gekregen van één van de dames van Goddess of Desire. Zelfs met handtekening, lieten Rudi en Joost trots zien. Nou ja, technisch gezien een borsttekening, maar dat was alleen maar beter. Antoine liet de gelegenheid niet onbenut en bood de heren een sigaar uit eigen doos aan. Intussen speculeerden we druk over de special show die Vreid, de volgende band, ons beloofd had. Marijn hoopte op een volledige Windir set, een tribute aan de vorige, overleden zanger van de Noren. Rudi riep vuur, Joost fantaseerde een kleuter die gedichten voorlas. Zelf ging ik voor een onderwaterset in podiumbreed aquarium, in de wetenschap dat al het andere nu tegen zou vallen.

Rudolf had gelijk en daarmee was de zogenaamd speciale show een aanfluiting. Veel te hoge verwachtingen. Reden voor iedereen om een dutje te doen op de tribune. Alleen Marijn stond nog fanatiek te headbangen. Volgens mij niet omdat ie het zo goed vond, maar gewoon omdat die jongen teveel energie heeft. Net een Duracelkonijntje. Niet getreurd, want Ragnarök had het beste (ex aequo) voor het laatst bewaard. Kortstondig stonden we met Daan en Rudolf (Antoine was weer eens kwijt) vooraan bij Negură Bunget, tot we door traangas werden verjaagd. Velen waren te dronken om het te merken, maar Eva was Bob en vond de tranende ogen, pijnlijke ademhaling en scherpe geur van het gas reden genoeg om de volgens haar leukste band even te laten voor wat ie was. Ook de Roemenen hadden iets in de smiezen, maar de show moest doorgaan. We waagden ons weer in de zaal en gingen op in het optreden van onze vrienden, die we de laatste tijd onderhand vaker zien dan onze ouders. Ook al ging Negură Bunget tot half vier door (zomertijd), de zaal bleef stampvol. Dat was twee jaar geleden bij sluitpost Helheim wel anders.

Wie ook doorgingen – helaas – waren Daan, Marijn en Antoine. De broertjes zongen tot diep in de nacht infantiele liedjes over anderen in de noten schoppen, voor ze eindelijk besloten het ijs van hun tentjes te krabben. Blij toe dat ze ‘s anderdaags een kater hadden. Antoine ging vrolijk door met zoekraken. Tijdens de allerlaatste band, Fimbulthier, greep hij me stevig vast toen ik hem hiervan betichtte. Eva en Alina waren immers nog backstage en wij moesten wachten. Even later was ie toch weer spoorloos. We namen afscheid van Negură Bunget, de dag erna opnieuw toen ze Alina met haar bak rijst en vogelzaad natuurlijk veel te laat bij ons afzetten en noemden het een festival. Zelfs Rudi’s überzoute spek met eieren kon ons ons verdriet niet doen vergeten. Wat restte was de berusting dat Ragnarök weer zal naderen, al duurt het nog een heel jaar. Om sneller met wachten te kunnen beginnen reden we Rudolfs Mazda onderweg naar Nederland alvast op anderhalf uur.

Highlander
The Scorpion King

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*