Van uw ijshockeyverslaggever in Roemenië

Het Baiu gebergte, dat ik zolangzamerhand vanuit de grond van mijn hart ben gaan haten, stuurde woensdag voor de vierde maal zijn kwade kwelgeesten op me af. Het kale, onherbergzame gebergte begon vandaag met onbeduidende speldeprikjes. Het weer was goed, op enkele wolkjes na. Die ervoor zorgden dat het landschap om me heen vrijwel voortdurend in zonlicht badde, terwijl ik in de schaduw liep. Omdat dit mij geenszins ontmoedigde na de voorgaande ontberingen, werd er door de Baiu-demonen een venijnige wind in het leven geroepen toen ik de poel eindelijk bereikte. Dit had als resultaat dat de getalletjes op de display van mijn weegschaal enorm fluctueerden, zodat ik telkens lang moest wachten voordat ik een waarde kon opnoteren.

Het diabolische Baiu gebergte (JS)

Maar de subtiele verrassing die Het Slechte vandaag voor me in petto had, was de boodschap “batteries low”, welke mij vrolijk door de weegschaal werd medegedeeld. Tien seconden later kon ik niets meer wegen. Aangezien ik een derde van de gevangen salamanders al had gemeten, was ik genoodzaakt de rest mee te nemen naar het station, om volgende week weer drie uur bergop te klimmen en de beestjes terug naar huis te brengen. En dus gaat er weer een dag verloren aan het Diabolische Baiu gebergte.

Donderdag trachtte ik een andere plaaggeest te overwinnen. Voor de vierde maal poogde ik het felbegeerde visum Mijn te mogen noemen. En waarachtig, tien seconden nadat ik het politiebureau in Ploiești was binnengelopen, stond ik alweer buiten op de stoep. Met visum, geldig tot 4 oktober stevig in de knuistjes geklemd. Viel nog best tegen. Geen mooie Roemeense wapens of vlaggen, gewoon een paar regeltjes tekst en verder niks. Om me toch het gevoel te geven dat ik vandaag iets had gedaan ging de eerste trein naar Sinaia pas twee uur later. Men had besloten station Ploiești Vest vandaag een grote beurt te geven: alles werd geverfd, gepoetst en gerepareerd, wat inhield dat reizigers nergens konden zitten. Mij hadden ze er niet mee, ik mocht ze tot 4 oktober blijven vervelen op dat station, als ik dat wou.

Vrijdag vond ik een recordaantal salamanders in een poel; 204. Helaas escaleerde de miezerbui die ik voor lief nam na 80 gemeten beestjes tot een ware hoosbui. Dat je handen aanvoelen alsof ze bevroren zijn, wat salamanders vasthouden niet ten goede komt, en dat je tot je bilnaad kletsnat regent is tot daar aan toe, maar op nat, Roemeens papier schrijven gaat echt te ver. Je moet heel voorzichtig zijn met je potlood om het papier niet te scheuren, maar tegelijkertijd wel hard genoeg drukken om iets zichtbaars erop te krijgen. Dan is het maar afwachten wat hiervan later nog te lezen is, en of niet heel de dag voor Jan met de korte achternaam (ja Coen, Bos) is geweest. Om drie uur had ik pas een van de twee poelen gehad, maar ik was het helemaal beu en noemde het een week. In de stromende regen stopte de derde auto, een kleine vrachtwagen op weg naar Targoviste, gelukkig al voor mijn opgestoken duim, wat mij heel veel tijd scheelde. Een half uur later was ik alweer in Sinaia, 30 kilometer van de plek des onheils.

Gelukkig kon ik ‘s avonds van het WK ijshockey op het – weliswaar storende, maar dat mocht de pret niet drukken – Roemeense TVR2 genieten. Donderdag had ik Tsjechië hun broeders, de Slowaken, al met 2-0 zien verslaan. Slowakije was geen schim meer van het team dat vorig jaar nog verrassend de finale bereikte, maar het fabuleuze werk in de goal van keeper Jan Lasak maakte de wedstrijd tot een waar feest om naar te kijken. In zijn eentje behoedde deze atleet zijn landgenoten middels talloze spectaculaire reddingen, die de in eerste instantie onpartijdige interesse mijnerzijds in deze wedstrijd alras deden omslaan in een schreeuwen naar meer en de stille hoop dat deze onbekende Jan met niet zo’n lange achternaam in zijn eentje de huidige wereldkampioen, ijshockeygrootmacht Tsjechie zou bedwingen, voor een achterstand die makkelijk een veelvoud van de huidige uitslag had kunnen bedragen.

Dan volgt er in mijn aantekeningenschrift nog een lofzang van anderhalve pagina op de wedstrijd Canada – USA, maar ik vrees dat de meesten onder jullie niet voldoende met de wonderschone ijshockeysport begaan zijn om hier oprechte interesse in te zullen tonen. Het schrift is voor belangstellenden na mijn thuiskomst ter inzage beschikbaar.

Zaterdag zocht ik Alina op, die in București studeert. Samen met een van haar drie kamergenoten (in Roemenië heb je als student eigenlijk nooit een kamer voor jou alleen), Elena, die bij de beklimming van Postavaru al bij Poiana Brasov afhaakte, gingen we de stad in. Het horloge dat ik eerder had gevonden was volgens een klokkenmaker geen nep-Citizen, en zou nieuw zo’n 100-150 gulden kosten. Daar het nog altijd loopt vang ik er misschien nog wel 50 piek voor als ik het volgende keer in Brasov ga verkopen.

A very Ceausie feeling (JS)

Op een paar oude gebouwen na die Ceaucescu hebben overleeft is București een deprimerende, grijze flatstad, wat door de regen en de vele McDonald’s en andere westerse fast-food bedrijven nog maar eens onderstreept werd. Gelukkig hadden Alina en Elena daar ook een hekel aan, dus we kochten smerige chips-achtige dingen die aanvoelen als van die brosse kaasachtige snacks maar dan zonder smaak. Mijn zak zat vol mieren, maar dat merkte ik pas toen ik hem bijna leeg had (zou die buikpijn daardoor komen, zit ik nou te denken?).

‘s Middags vonden we een underground metalwinkeltje met weinig keus waarvan Alina dacht dat het allang niet meer bestond. Voor een totaal van maar liefst bijna twintig gulden liet ik mij helemaal gaan en kocht cassettebandjes van Dies Irae (black metal uit București), God (From the Moldavian ecclestical throne; enkele nummers in het Oud-Roemeens), Helheim (niks Roemeens aan, maar die kon ik niet laten liggen), en een gelimiteerde cd van Roemenië’s bruutste black metal band, Negură Bunget (met teksten in het Dacisch, naar het schijnt) in handgevouwen kartonnen hoesje. Ik dus weer blij.

De cassettebandjes zorgden er echter wel voor dat de alarminstallatie in een boekhandel al afging nog voordat ik iets gestolen had. Doordat alle ogen van het bewakingspersoneel nu bij voorbaat al op mij waren gericht, was ik genoodzaakt om eerlijk te betalen voor Victorian and Edwardian Ghost Stories. En zo werd het dus nog best een prijzig dagje. Omdat de deur van de kamer van Aline en Elena niet meer goed openging (de houten vloer was vijf tot tien cm omhooggekomen doordat er water onder zat), moesten we wachten tot de man die het kwam repareren de vloer eruit had gesloppt voor we naar het Europese Filmfestival konden. Daar er naast water ook electrische kabels in het ontstane gat zaten vond de reparateur het een beetje gevaarlijk om zich daar in zijn eentje aan te wagen. Maandag zou er nog eens naar het probleem worden gekeken.

Met een sprongetje over het water haastten we ons de regen weer in, want het begin van Thomas the Falconer uit Slowakije zouden we nu wel missen. Daar dit tevens een befaamde studententruc was (als je te laat komt mag je gratis naar binnen), namen we maar voor lief dat we de eerste tien minuten misten. Het bleek een matig geacteerde kinderfilm te zijn, al zaten er wel een paar grappige stukjes in en veel Slowaakse bergen. Aangezien de volgende film een Duitse was vond ik het wel weer mooi geweest en pakte de trein naar Sinaia, alwaar ik nog anderhalve halve finale van het WK ijshockey kon kijken (tot drie uur ‘s nachts).

Romania is interesting, not funny
De toerist uithangen

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*