Verantwoordelijkheidsgevoel, wie zit daar op te wachten?

“Heidense vuren om Midzomernacht te vieren, er wordt Vikingrugby gespeeld, er is kwartierbier en je mag zelfs op een Vikingschip meevaren.” Meer reclame had Kilkim Žaibu niet nodig en na onze verkenningstocht naar Litouwen vorig jaar, gingen we deze keer met z’n negenen. Dat er met Wardruna, Moonsorrow, Skyforger, Rotting Christ en Nokturnal Mortum ook een scala aan bijzonder goede bands optrad was mooi meegenomen. Negen was alleen wat veel voor een huurauto en na onze interessante ervaring met de one-way rental kostenpost van vorig jaar was ook dit jaar vliegen naar Vilnius, terug vanuit Rīga tijdtechnisch helaas de meest voor de hand liggende benadering.

Gelukkig valt er met Oost-Europeanen wel te marchanderen en verhuurbedrijf Ollex was een graag gezien voorbeeld van deze stelling. Op hun website kostte een klein autootje ophalen in Litouwen en inleveren in Letland € 360 voor vier dagen. Tijd voor een mailtje, dacht ik zo. “Tsjongejonge, wat beviel de auto vorig jaar goed! Toen kostte het € 175 voor drie dagen, nu komen we een dag langer. En misschien met meer man. Wat gaan we met de prijs doen?” Het duurde niet lang of ik had een berichtje terug. Voor € 200 mochten we een busje huren met plek voor negen personen. Da’s toch gauw verdiend in vijf minuten. Fijne jongens, die Litouwers. Zelden was de voorpret al zo leuk.

Precies wat ons beloofd was (JS)

Alsof Kilkim Žaibu met zijn vechtende ridders en pottenbakkers nog niet cultureel verantwoord genoeg was, deden we voor de eerste band Kernavė (318 inwoners) aan. Ooit de hoofdstad van het Groothertogdom Litouwen, bood het plaatsje nu meer de aanblik van een verlaten Hobbitdorp vol glooiende, groene heuvels. Artificiële glooiende, groene heuvels dan toch, want toen de stad in de 14e eeuw in de hens werd gestoken werden er enkele karrenvrachten alluviaal sediment op gekiept. Dit werd – jullie raden het al – een vochtig veenlaagje dat alles wat erin begraven lag bijzonder goed conserveerde. De ooit zo machtige stad met zelfs een eigen geheime onderwaterweg (lijkt me weinig praktisch) was tot een ware speeltuin voor archeologen verworden. Niet voor ons, met vele bordjes op evenveel plaatsen waar we niet mochten lopen, maar Kernavė bracht wat het beloofde. Veenhopen.

Met de wodka inmiddels overgegoten in petflessen ging het nu richting Varniai, waar we precies op tijd aanschoven om de eerste band te missen. De tentstokken van Wybrens vierpersoons tent misten we eigenlijk veel meer. “Nee, dat is niet grappig,” waagde hij onze analyses in twijfel te trekken. Een speurtocht naar geschikte takken liep op niets uit, waarna Gijs, Nelleke en Wybren zich genoodzaakt zagen de eerste nacht in de bus door te brengen. Goed lezen van het festivalboekje, waarin tenten te huur werden aangeboden, deden we pas later. Een programmaboekje overigens met prachtige zinsneden. Vooral naar het nachtelijk vertier keken we uit: “Ancient program with wreaths floating in the lake, dancing and singing around the bonfires, men and women song competitions, beer contest – who drinks and don’t get drunk before sunrise, at the sunrise sings all those who remained alive.”

Zo ver was het nog niet: eerst zagen we de eerste noemenswaardige band van het festival, Vilki uit Letland. Deze mannen van middelbare leeftijd zongen uit volle borst soldatenliederen en deden in hun vrije tijd niets liever dan in militaire uniformen vanuit hun blokhut het bos inrennen. Ook de daaropvolgende band, Percival Schuttenbach uit Polen, speelde graag in op de meer visueel ingestelden onder ons. Vooral de mannen dan, van het vrouwelijk deel van het publiek liep net warm voor de zanger met ontblote bierbuik. De zangeres en celliste met uitdagend uitgesneden jurk waren fijner om naar te kijken. Percival Schuttenbach speelde energieke folk metal en toen de hit Satanismus werd ingezet, greep een enthousiaste Litouwer me vast om te vertellen hoe prachtig hij de clip vond. Op het podium bleven de blokfluiten tussen de benen van de vrouwen uit, maar de sfeer zat er op de folkavond – traditiegetrouw toch de zuipavond van festival – al behoorlijk in.

Dat kan harder! (JS)

Met van de wodka geen spoor meer in de fles en al aardig wat halve liters bij de dit jaar beduidend sneller tappende barmannen gehaald, kregen we het verdere verloop van de avond niet helemaal meer mee. Zo hadden we geen idee wat we op een gegeven moment zaten te eten. Varkensnek, werd geopperd. Wellicht de anus van het dier, meende een ander. Er zat een gat in en het was taai. Ontzettend taai, zo ver kwamen we nog wel. De spirituele ambient folk van het Noorse Wardruna was in deze staat van beschonken- en vermoeidheid net iets te hoog gegrepen. De oud-leden van Gorgoroth boden een spookachtige aanblik nu de duisternis gevallen was, maar op onze boomstam lukte het Daan en mij niet langer om wakker te blijven bij deze langzame, dreigende en bezwerende muziek. Geen bierwedstrijd voor ons, helaas.

De dag van de zomerzonnewende begon interessant. Het drietal in de bus leek zowaar de beste nachtrust te hebben gehad, al was Wybren de tweede in de groep die zijn maaginhoud dit weekend niet binnen wist te houden. Op wat spatjes na was er aan de bus niets te zien. Dat kon van mij niet gezegd worden. Over mijn hele bovenlichaam had ik rode uitslag. Gordelroos, wist Judith, en dat zou zeer gaan doen. In de plaatselijke apotheek mocht ik mijn Russisch weer eens proberen. De apotheker geloofde niet echt in het gordelroosverhaal en mikte op een allergische reactie. Ik geloofde de beste man op mijn beurt weer niet echt, want dat zou de eerste keer in mijn leven zijn. Zekerheidshalve kocht ik zijn zalfje toch maar en het moet gezegd, de man had gelijk. Een dag later zaten mijn benen en armen onder de uitslag; twee dagen later was alles verdwenen. Het zal de combinatie zijn geweest van de zalf, frisse lucht in de vorm van een wandeling door het veengebied tussen Varniai en het festivalterrein en een duik in het frisse Lūkstasmeer.

Intussen had Daan zich aan het Vikingrugby gewaagd. Lovend schetsten Gijs en Rudolf hoe hij in zijn eentje bijkans het voltallige team van de tegenstander bezighield. Toen Žemaitija (West-Litouwen) het tegen de hooglanden (Oost-Litouwen) opnam, werd Daan niet opnieuw uitgenodigd. Vandaag werden we getrakteerd op een mix van folkmuziek en metal, maar de Kovis Ratas was interessanter dan de middeleeuwse deuntjes die ons vanaf het podium tegemoet kwamen waaien. De met geitenschedels versierde toegangspoort leidde ridders in een omheining waarbinnen met grof geweld op elkaar werd ingehakt. Geen “Ik heb je geraakt; jij bent af!” zoals we van Ragnarök Festival gewend zijn, maar net zo lang met een zwaard of bijl op de ander in blijven hakken tot het schild versplinterd is of de metalen helm met een extra deuk verrijkt wordt. Het kon niet anders of dit resulteerde in menig hersenschudding, maar met ons verantwoordelijkheidsgevoel netjes thuis in Nederland spoorden we de vechtersbazen aan er nog wat harder in te gaan.

Als het eruit ziet of het in brand kan... (JS)

De eerste metalbands van Kilkim Žaibu vielen tegen. Voor Ereb Altor, Meressin en Endstille liepen wij niet warm. Figuurlijk dan, want het was behoorlijk koud voor de tijd van het jaar. De voorspelling luidde vooraf ‘showers around’ en inderdaad, het was met name rondom ons dat de buien vielen. Het was droog, maar verre van warm. Gelukkig vond ik ergens een enorme ronde steen van een kilo of vijf. Of tien. Precies het juiste gewicht om hem als rugbybal over te gooien, waren ook tal van andere festivalbezoekers met ons eens. Opgewarmd wendden we ons weer tot het podium toen Skyforger aantrad met een volledige old school set. De fratsen van hun laatste cd bleven ons vandaag dus bespaard, gelukkig.

De laatste band voor om middernacht het vreugdevuur ontstoken werd was het Nederlandse Asphyx. Na weinig succesvolle grapjes over de piemel van de zanger vroeg de band zich af wie er hier allemaal uit Letland kwamen. Of uit Polen. Elk Oost-Europees land tot en met Roemenië aan toe passeerde de revue, maar de pannenkoeken verzuimden te informeren of er ook Nederlanders in de wei stonden. En dat terwijl we met onze groep toch bijna één procent van de festivalbevolking uitmaakten. De death/doom van onze landgenoten kon ons toch niet bekoren. Het midzomernachtsvuur des te meer. Er was een kannetje diesel nodig voor de authentieke hooistellage in brand wou, maar al gauw sierde een zee van troeliewoelies de nachtelijke hemel en moest iedereen een stapje terug doen tegen de hitte.

Vandaag hadden we precies genoeg halve liters gedronken om te constateren dat sommige andere mensen veel dronkener waren dan wij. Een man bood Wybren en mij Litouwse whisky aan (bij twijfel: als het meer dan 30% alcohol bevat, dan is het whisky) en begon zijn levensverhaal op te rakelen. “Ich – große Bandit,” begon hij. Toen hij in Duitsland werkte was dat niet bepaald een negen tot vijf baan. Hij brak in woningen in, stal auto’s en nee, hij had nergens spijt van. Als we nog goede messen nodig hadden, dan wist hij wel een adresje. De littekens op zijn arm waren in ieder geval indrukwekkend. De inmiddels lege fles werd weggegooid en op zijn mobiele telefoon toverde hij foto’s van nogal groot uitgevallen messen tevoorschijn. In een motorisch niet helemaal zo geplande handeling liet hij de telefoon uit zijn handen vallen, die daarop prompt het enige harde voorwerp in een straal van tien meter – de lege whiskyfles – raakte. Het ding was volledig naar de gallemiezen. De telefoon dus; niet de fles. Beteuterd struikelde de man over twee mensen die van het vuur zaten te genieten. Wybren en ik hielden hem in een reflex net boven de grond, maar het was overduidelijk tijd om naar Moonsorrow te gaan.

Prepare to submerge (AW)

De zomer begon de volgende ochtend goed. In de regen wasten Vera, Judith, Eva en ik ons in het koude Lūkstasmeer, om daarna weer op temperatuur te komen met hete thee en lauwe chili. Gijs en Nelleke waren dapperder en trotseerden het weer om de shoegaze black metal van NRCSSST te beluisteren. Die was lang niet slecht. Ook Thrashless uit Estland was leuk, zij het voor een nummer of twee, drie. “Waar andere bands beweren het licht te hebben gezien, hebben wij echt totaal geen idee waar we het over hebben,” bekende de zanger. De bandleden hadden ‘massive hangovers’, maar “You won’t hear the difference anyway.” Heerlijk, zulke zelfkennis. Toen het nummer Vodka Attack werd ingezet kwam Daan ons en bier halen. Of Rudolf en ik mee wilden op de waterfiets. Почему нет? We schoven aan bij Eva, Judith, Gijs en Wybren. Met zeven opvarenden had de waterfiets meer weg van een onderzeeër, maar op de waterfietsverhuurders na vond eigenlijk niemand dat erg.

Kilkim Žaibu XV beloofde de ‘hardest strike ever’ te worden. Het avondprogramma loog er in ieder geval niet om. Het ons onbekende Vulture Industries werd de verrassing van de dag. Avantgarde black metal over waanzin, innerlijke strijd en demonen. Kledingadvies: een witte blouse met zwarte bretels. Ik weet niet wat de zanger gebruikt, maar ik zou er zelf graag ook wat van hebben. Doordringende ogen, waar mogelijk bovenop dingen klimmen en een loopje waar ze bij het Ministry of Silly Walks jaloers op zouden zijn. Toen de beste man besloot door het publiek te paraderen mocht ik zelfs een stukje meeschreeuwen in de microfoon. En ja, ze verkochten ook cd’s voor de liefhebbers. Of: “If you think Vulture Industries is the absolute worst band in the world – If you think Vulture Industries sucks donkey cock – You can STILL buy a cd, and give it to someone you HATE!” Wow, wat een sales pitch.

Deströyer 666, muzikaal gezien familie van het vorig jaar zo door Wybren en mij toegejuichte thrashensemble Desaster, moest het met een Australiër minder stellen. Zelfs als driemansformatie wisten ze nog een aardige bak herrie te produceren, maar voor ons vormde Nokturnal Mortum toch echt de kers op de taart. Het werd een nationalistisch vlagvertoon met een intense sfeer – precies wat we verwacht hadden. Dit was politiek. Met de onstabiele situatie in het eigen Oekraïne en met de Litouwers die de hete adem van de Russen in hun nek voelden aan hun zijde, kon de in het verleden toch behoorlijk rechtse band op onvoorwaardelijke sympathie van het publiek rekenen. “We komen voor Wardruna en Nokturnal Mortum,” had de braaf ogende Alex uit Polen ons verteld toen hij ons gisteren een lift naar Varniai gaf. Iedereen kwam hier voor deze strijdlustige band, zo leek het. Oekraïners mochten gratis het festivalterrein op; Litouwers konden later kosteloos de Carpathian Metal Alliance bezoeken. Voor één keer stonden de nationalisten aan de goede kant van de dubieuze scheidslijn, zo was de boodschap.

Feestband Vulture Industries (AW)

Voor ons telde de muziek van de band die op Kilkim Žaibu na al haar optredens had afgezegd. Slechts één andere show had de band op de agenda laten staan – een benefietconcert waarvan de opbrengst ten goede zou komen van het Oekraïense leger. Blauw gele vlaggen zwaaiden hartstochtelijk op het ritme van Слава героям, Kolyada en Ukraina. Qua intensiteit het hoogtepunt van de avond, maar wacht, er was meer. De perfect synchroon headbangende gitaristen van het Griekse Rotting Christ brachten een brok rauwe energie die ons voor de tweede dag op rij tot diep in de nacht op de been hield.

Met geen band meer op het podium maar nog geen zin om te gaan slapen konden de volgende uren even goed enthousiast als weinig doordacht genoemd worden. Het festival was ten einde, maar de met hooi omwikkelde heidense symbolen in het meer stonden nog altijd overeind. Zonde. En laat er nou net toevallig een verlaten roeiboot op het strandje liggen. Eva, Daan, Judith en ik bedachten ons geen moment en stapten in, maar het hooi wilde niet branden. De palen wilden evenmin om, maar daar bracht een dwingend handje hulp verandering in. Onder luid gejuich zeeg de eerste paal neer, om per boot naar het dichtstbijzijnde kampvuur getransporteerd te worden. Hier brandde deze een stuk beter. “Willen jullie er nog één?” vroegen we. Het was vragen naar de bekende weg. Ruim een uur later stond nog slechts één van de vijf palen, en dat was het moment waarop de festivalorganisatie bedacht dat ze dit niet tof vonden. Dit was vandalisme. Enthousiast uitgevoerd, dat zonder meer, maar het bleef vandalisme. Tsja, eigenlijk hadden ze wel gelijk. We beloofden beterschap. Volgend jaar zullen we ons beter gedragen. Hopen we.

foto’s: Alone Wolf (AW)

Byzantium
Sorcerer

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*