Volgende keer weer naar een land met minder zand

“Ah, een afvinklandje,” concludeerde Frank niet helemaal onterecht. Want er begint aardig schot te komen in mijn streven om alle landen van Europa eens te bezoeken. Op mijn tamelijk arbitraire lijst ontbraken nog zeven van de vijftig landen. Hmm, zeven? Dat klinkt als een Tour! Helaas liggen de laatste zeven nogal verspreid op de landkaart: van Ierland en IJsland in het uiterste noordwesten, via Litouwen en Wit-Rusland in het noordoosten, tot discutabel Europees grondgebied in de Kaukasus: Armenië en Azerbeidzjan. En dan hadden we in het Midden-Oosten Cyprus nog. Een land om zo vlak na de crisis aldaar te mijden als de pest, volgens sommigen. Er werden ons allerlei doembeelden geschetst, van boze menigten die hun huis of spaargeld verloren hadden en dit af zouden willen reageren op ‘Europa’. En ja, Europa, daar hou ik van. Genoeg om ondanks de bangmakerij gewoon in het vliegtuig naar nummer 44 te stappen.

Pro-Griekse extremisten (EH)

Cyprus – is dat niet zo’n eilandbestemming die handenvol geld kost om te bereiken, waarna je er levend verbrandt terwijl je met je bierpens aan het zwembad in een resort of, in het gunstige geval, op het strand ligt om je vol te tanken met vies, plaatselijk bier? Nee, dan zit je niet eens zo ver bezijden de waarheid, al zit dat vieze, plaatselijke bier wel in flessen van 0,63 liter. Dat geeft nadat je een halve liter op hebt toch het fijne gevoel dat je wat extra’s krijgt. Larnaka deed met zijn door palmbomen geflankeerde strandboulevard, hagelwitte hotelflats (waarvan de helft te koop of te huur stond) en English breakfasts in ieder geval niet eens een poging om het stereotype te ontkrachten. En toch was onze eerste kennismaking met Cyprus hoopgevend. De voertaal was hier Russisch (Moskou, Sint-Petersburg, Krasnodar, Yekaterinburg, Novosibirsk, Kazan, Samara, Rostov, Kiev en Minsk, lazen we op de schermen in de aankomsthal van de luchthaven), bomen werden voor de onderste helft wit geverfd en gebruikt wc-papier mocht onder geen beding in de toiletpot belanden. Bovendien gebruikten ze hier het verkeerde alfabet, reden ze aan de verkeerde kant van de weg en zodra ik me afvroeg hoe hard ik hier eigenlijk mocht zag ik het absurde verkeersbord met 65 kilometer per uur. Een goed begin.

Larnaka had niet bar veel te bieden. Nou ja, getuige de nimmer aflatende herrie onder ons hotelraam was het hier met het nachtleven prima gesteld. Dat de focus in deze stad niet op historische monumenten lag, bleek al uit de naam van het fort in Larnaka. Larnaka Fort. En ja, de grote moskee ernaast heette Grote Moskee. Het fort was een oase van rust, met oude Duitse kanonnen en tal van hardoenen (Laudakia stellio) in de palmbomen. “Hé, dat zijn net zo’n bomen als in het oerwoud,” wist Ilva. Ook in de Grote Moskee was het erg rustig, sinds de Turks-Cyprioten in 1974 de stad gedwongen verlieten. Nu kwamen er enkel Noord-Afrikaanse immigranten.

Afrodite? Ilva gelooft meer in zeeheksen. (JS)

Daar was niks mis mee, en met de Turks-Cyprioten zelf misschien ook niet, maar de Turkse bezetters moesten opdonderen. ‘Onze eis: het terugtrekken van alle troepen van de bezettingsmacht,’ stond er op borden naast de snelweg. Alle troepen? Ze lieten het klinken alsof er nogal wat Turkse soldaten op dat kleine stukje land gestationeerd waren. En eigenlijk is 40.000 militairen op nog geen 300.000 inwoners in Noord-Cyprus ook best veel. De stemming was in het zuiden bij alles wat maar in de verte kerkelijk of overheidsgerelateerd was dan ook strijdvaardig en patriottisch, waarbij veelal eerder de Griekse dan de Cypriotische vlag slap hing in de windstille, Mediterrane hitte. Zo ook bij de 9e-eeuwse Agios Lazaros, één van de weinige fraaie bouwwerken in deze lelijke stad.

“Grieken en Turken, ze zijn precies hetzelfde,” hoorde ik Jan nog zo zeggen, maar die had makkelijk praten in een kamer zonder ook maar één Griek of Turk. Hoe dan ook leek het ons een beetje flauwekul om het na Luxemburg kleinste land van Europa nog eens te moeten verdelen over twee bevolkingsgroepen. Want klein was het – via Petra tou Romiou reden we in een middagje tijd helemaal naar de andere kant van het land. Gibraltar heeft zijn rots vol apen, Cyprus heeft er één vol Russen. Het was ten strengste verboden de rots waarnaast Afrodite ooit uit de zee verscheen te beklimmen, maar dit stond alleen in het Grieks en het Engels op de borden. Aan de kant waar de golven wild tegen de rotsen en over het kiezelstrand schuimden had Ilva alle ruimte om in zee te spelen. De andere kant van de rotsformatie was meer zoals ik me Cyprus had voorgesteld: het strand lag er bezaaid met badgasten. Wat een meevaller dan ook dat het aantal tenten op de als extreem luid geadverteerde strandcamping in Polis op twee vingers te tellen was. “Je moet hier in augustus komen,” werd me aangeraden. “Dan hoor je hier twintig soorten muziek door elkaar heen!” Nu was het er na negen uur stil – op het concert van meerkikkers (Pelophylax ridibundus) en het gefluit van Turkse boomkikkers (Hyla savignyi) na.

Die kleuren gaan nooit vervelen (JS)

“Hoe geler de citroentjes, hoe warmer de zomer wordt,” hoorde ik iemand in Nederland beweren. Nou, hier konden de vlindertjes haast niet geler, dus het zal wel waar zijn. Volgens mij geldt hetzelfde trouwens voor je urine. Na een dag voor vertrek nog bij acht graden door de stromende regen te hebben gefietst, liepen we hier in de brandende zon over het Akamas schiereiland. Het was eind april en nu al een plakkerige 30°C – geen weer om vier uur lang met Ilva en Rune in de kinderdragers ogenschijnlijk telkens maar bergop te lopen. We maakten er vijf uur van. Ook hier was Afrodite van de partij geweest, en ook hier waren op haar feestje louter Russen uitgenodigd. Russen uit Sint-Petersburg, uit de Oeral en uit Siberië. En ze vonden ons toffe ouders – toch fijn dat niet alle Russen ons opvoedingsonbekwaam vinden.

Afrodite had weer een mooi plekje uitgekozen. In de schaduw van zoete, bijna sensueel geurende vijgenbomen baadde de godin in een koele, beschutte poel. Niet op dit moment weliswaar, maar dit waren inderdaad plaatsen waarvan je zin kreeg je shirt uit te trekken. Uitkijkend over de grillige kust van Akamas beklommen we Moutti tis Sotiras voor we weer zo’n idyllische plek vonden. Bij de ruïnes van het Byzantijnse Pyrgos tis Rigainas klooster stond een eeuwenoude eik. Over de brede takken schoten slangenooghagedissen (Ophisops elegans) met helderblauwe flanken weg toen ik in de boom klom, op zoek naar beschutting. Naast het stroompje aan de voet van de eik ving ik een Turkse boomkikker waar Ilva zich graag door liet betoveren en een kronkelende Budaks slangenoogskink (Ablepharus budaki). Skinken blijven een beetje de tekkels onder de hagedissen, maar wat glom dit diertje mooi in de vlekjes zonlicht die hier door het bladerdek druppelden. Vlakbij ons graasde een oude geitenbok onverstoorbaar verder.

Speelplaats voor het hele gezin (EH)

Het was een schril contrast tussen sprookjesplekken als deze en de wegen terug naar Polis. Resorts, appartementen, villa’s, schreeuwerige billboards – het leek erop dat heel Cyprus te koop stond. Waarschijnlijk is het dat ook, voor de juiste prijs. In het Engels, maar even zo vaak in het Russisch, werd opgeroepen hier je tweede huis in de zon te kopen. Hier waar honderden buren ook hun tweede huis in de zon hadden staan. Maar de recessie was zichtbaar aan deze kapotgeëxploiteerde kuststrook: nieuwe toeristencomplexen waren vaak niet afgebouwd en de parkeerplaatsen voor resorts bleven nagenoeg leeg. Mooi was het hier nergens. Voor schoonheid moest je weg van de kust.

“Is die kleine auto van jullie?” riep een Cyprioot ons toe bij de Avakaskloof. Nee, wij waren van wat verder komen lopen, ook al was het weer een graad of dertig. Gelukkig maar, want de weg af naar beneden lukte nog wel in zo’n koekblik van een huurauto, maar eens beneden was altijd beneden, beweerde de man. Het leek ons stug – zo steil leek die weliswaar beroerde grindweg nu ook weer niet. En erg veel oude, verroeste huurautootjes of huilende buitenlanders stonden er niet. Beekjes zijn een rariteit op het droge Cyprus, maar ondanks de hitte klaterde de later in het jaar opdrogende Avakas nu nog vrolijk tussen de rotsen door. Hier kwamen bergwanden en hordes Engelse, Russische en Nederlandse toeristen samen. Gelukkig bestond er een omgekeerd evenredig verband tussen deze twee, want naarmate de rotswanden elkaar dichter en dichter naderden haakten de dagjesmensen op slippers af. Waar orchideeën en oleanders plaatsmaakten voor rotsblokken waar we over moesten klauteren en water waar doorheen gewaad moest worden, keerde ook de rust terug en bestond het gezelschap uit hoog boven ons nestelende vogels en precair op de uitgestoken kliffen balancerende geiten.

Diep in de Avakaskloof (JS)

Het echte binnenland leek welhaast uitgestorven. In de supermarktjes van Arodes, Ineia en Droushia mocht je blij zijn als er ranja werd verkocht. In de velden bij de dorpjes bloeiden tal van orchideeën en andere voorjaarsbloemen. Razendsnel gleden zwarte pijlslangen (Dolichophis jugularis) weg in het hoge gras. De rust werd enkel verstoord door nu en dan een knal. Tot onze opluchting geen met scherp schietende jagers (net als op Malta volkssport nummer één op dit eiland), doorgedraaide Cyprioten die hun spaargeld waren verloren of pro-Griekse extremisten, hoorden we in een restaurant in Droushia. Zaterdag werd het orthodoxe Paasfeest gevierd en de dorpsjeugd nam alvast een voorschot op de pret door vuurwerk af te steken. Opnieuw bleken restaurants zonder menukaart de beste keuze. Gevulde paprika’s, vette Cypriotische yoghurt en aubergine met feta – alles zwemmend in de olie.

“Ik heb wel een treintje achter me,” constateerde Eva op de terugweg. De Cyprioten achter ons wisten natuurlijk niet dat Eva op de rechterhelft begonnen was, een stopbord negeerde en een bocht faliekant verkeerd inschatte. Ze reed nu tenminste links, en haast hadden we niet. Zand wel. Zand in de tent, zand in Ilva’s haar, zand in Runes luier, zand op de boterhammen en als het aan Rune lag was zand ook een welkome aanvulling op elk bord met lamsvlees en frietjes. Volgende keer toch maar weer op vakantie naar een land met minder zand, dacht ik toen we onze schoenen vol zand aantrokken. De camping in Polis beviel prima, zo vroeg in het seizoen, maar we wilden het strand nu wel verruilen voor de bergen van het Troödos. Daar was het zand nog zo groot dat ze het stenen noemden.

Groeten uit Camp Crystal Lake
Mad Max

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*