Voortvluchtige bandieten

Wel humor dat het hotel in Drobeta-Turnu Severin helemaal leeg stond en we door enorme zalen werden geleid om ergens achteraf in een klein zaaltje naast drie politiemannen (die al aan het bier zaten) te ontbijten. Drobeta-Turnu Severin (gaan we weer), gebouwd op de plaats van een Romeins fort van om en nabij de eerste eeuwwisseling, toonde zich een rijke stad. Het plaatselijke historisch museum, met op haar terrein resten van Romeinse baden, een brug over de Donau waarmee Dacia werd veroverd, grafstenen, fundamenten van het legerkamp en een 13e eeuws kerkje, bleek ver boven de Roemeense standaard verheven.

Reisje langs de Donau (JS)

Vooral van het aquarium met een keur aan vissen die in de Donau leven hebben we enorm genoten. Met ‘Much to the delight of the hordes of schoolchildren who fill the museum at weekends’ had de Lonely Planet ons niets teveel beloofd. In de brandende hitte liepen we via nog wat 13e eeuws bouwwerken (of wat er nog van over was) naar het station, waar we ons ziek aten aan roze ijsco’s, pretzels en gebakjes. De trein reed ons langs de IJzeren Poort in de Donau, alwaar we aan de overzijde Joegoslavië ontwaarden. We hadden helaas geen verrekijker bij ons, maar ik denk dat ze er net zo uitzien als Oekraïeners. Na een uurtje stapten we uit in, jullie hadden het vast al geraden, Băile Herculane. Volgens de legende heeft Hercules hier vroeger gebaad. Het stinkt er nu nog.

Op de camping werden we naar een stukje grind tussen auto’s en barbecuende Roemenen verwezen, waar we vriendelijk voor bedankten. Gelukkig had de campingvrouw een vriendin en daar hadden Eva en ik voor negen gulden per persoon per nacht een schitterende tweepersoonskamer, met dakterras met uitzicht op de bergen. Die avond leerden we Rineke mititei kennen; de avond erna palinca.

Schreibers vleermuis (met Fiepke-geluk) (JS)

De tocht van woensdag hadden we iets te licht ingeschat (die van donderdag trouwens ook), waardoor we uiteindelijk alleen Grota Haiducilor (schuilplaats voor voortvluchtige bandieten, maar vandaag zaten er geen) en een kleiner grotje bezochten, dat we slechts met hulp van een file Roemeense toeristen na een hele omweg konden vinden. Gewapend met de zaklamp zagen we tal van vleermuizen angstig rondjes vliegen, waarbij ik en passent de stelling dat vleermuizen nooit in je haren vliegen naar het rijk der fabeltjes kon verwijzen.

Donderdag was er weer een dag en stond er een pittige bergetappe op het program. Gelukkig weer met grot, Grota lui Şerban, menig panoramapuntje en een heus ravijn waar we door naar huis liepen. De zeldzame landschildpadden die berg Domogled bevolken moesten we helaas ontberen. Triestig genoeg was het zo weer vrijdag en moesten we het hete klimaat van de Banat verruilen voor het lauwe tot warme Sinaia, middels een negen uur durende reis door vooral de vlakten van Wallachije. Duf! In Sinaia was het hoog tijd om uit te zoeken waar ons pap, mam en Coen vanaf de volgende dag zouden vertoeven. Het toeristencomplex in Cumpătu, waar ik ze graag gehad had willen hebben, was er namelijk mee uitgeschejen. Ze hielden het tot het laatste moment spannend, entertainers dat het hier zijn. Ik moest morgen maar terugkomen.

Ook het regelen van een kamer voor Rineke duurde tot middernacht, toen een jongen die Roemeens, Russisch, Arabisch, Hongaars, Japans en een beetje Engels kon ons uit de brand hielp. Hij bleek de eigenaren van het huis waar Rineke kwam te zitten wel een beetje te hebben opgelicht en was de komende week nergens meer te vinden, maar Rineke had voor de komende acht nachten een dak boven haar hoofd.

Het blijft tenslotte Roemenië
De puinhoop van de Paler

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*