Vous roulez, zeggen ze in Kleine Landen

Wat maakt een land een Klein Land? De meningen lopen uiteen. Sommigen noemen Nederland een Klein Land. Nederland is geen Groot Land, maar om het nu meteen klein te noemen is weer het andere uiterste. Als Nederland echt zo klein was, zou ik geen twee uur over snelwegen hoeven rijden om bij mijn ouders op de koffie te gaan. Maar gaat het wel alleen om oppervlakte? Er zijn demografen die het inwonertal erbij halen. Dan is een land als IJsland ineens een Klein Land, alleen omdat het nog geen 300.000 inwoners telt. IJsland, dat tweeëneenhalf keer zo groot is als Nederland. De Færøer en Gibraltar worden wel eens genoemd. Dat zijn niet eens landen. Hoe kun je jezelf tot Klein Land bestempelen als je niet eens aan de tweede noemer voldoet? Bijdehanterikken die hippieprojecten als Sealand durven te noemen dienen doodgezwegen te worden, or erger. Maar wat maakt een Klein Land dan wèl een Klein Land?

Zoekplaatje: één persoon zit in de brandnetels (GC)

Het gaat dus puur en alleen om het oppervlakte – en het spreekt vanzelf dat het land onafhankelijk dient te zijn. Waaruit haast uit zichzelf de volgende definitie rolt: een Klein Land is een staat die kleiner dan of even groot als Luxemburg is. Zo bezien telt de wereld 28 Kleine Landen, waarvan er zeven in Europa liggen. Het idee ze alle zeven in één Tour te bezoeken ontstond in Tbilisi. Wat te doen na trips naar Moldavië, Albanië en Georgië? Verveeld rondkijkend in een boekhandel aan de Rustaveli Avenue viel me ineens in dat ik het niet groots aan hoefde te pakken om weer een memorabele reis te ondernemen. Klein mocht ook. Hoe kleiner, hoe beter. Na het vaststellen van de definitie van een Klein Land wierpen de vragen zich op. Hoe groot is Cyprus eigenlijk? Bijna vier keer zo groot als Luxemburg – gelukkig. Montenegro bevond zich aan de veilige kant van het Groothertogdom en het nieuw onafhankelijke Kosovo eveneens. De reis zou langs zeven Kleine Landen gaan.

De meeste vragen waren van praktische aard. Hoeveel kilometers moesten er gereden worden? Wat was er te doen, te zien of te beleven in Kleine Landen? Reisgidsen van Kleine Landen zijn zeldzaam. Boeken over Luxemburg en Malta kun je met wat moeite nog net vinden, maar daarmee houdt het op. Ook de andere reisliteratuur had zo zijn beperkingen. Secrets of the Seven Smallest States of Europe van Thomas Eccardt was gedetailleerd, maar een vrij droge verhandeling die nauwelijks op toeristen is gericht. Dots on the Map van Colin Leckey is geschreven door een flapdrol die zelfs in Kleine Landen weet te verdwalen. Hoe lang zou de Tour duren? Is deze reis wel CO2-neutraal? En bovenal: wie waren er gek genoeg om mee te gaan? Daan, Gijs en Jaap. Een eerdere poging om de Kleine Landen Tour in 2008 van de grond te krijgen liep op niets uit, maar met deze mannen was het een ander verhaal. Gemiddelde lengte 1,95 meter, allen met lang haar en een baard. Vier biologen met een ongeëvenaarde eetlust die een slecht plan pas herkennen als ze er midden in zitten. Gijs zag het reisschema en stemde direct toe. Twaalf uur rijden op de tweede dag, van Luxemburg naar Andorra; in totaal 64 uur in de auto. Jaap ging overstag bij de mededeling dat we om een land zouden lopen. Een Klein Land weliswaar, maar toch – hoe vaak heb jij om een heel land gelopen? En Daan – tsja, Daan… Daan lieten we de periode van half april tot begin mei vrijhouden omdat hij wel met ons naar een festival wilde. Daan moest gewoon mee.

“Zijn jullie het zelf?” vroeg de uitbater van Café Jos in Nijmegen. Nu vonden we de Kleine Landen Tour zelf wel een reis van epische proporties, maar zelfs wij geloofden niet dat wat nuchterdere mensen onze mening zouden delen. “Ja, ‘t is òf jullie zelf, òf Deep Purple,” concludeerde de man, onze tourshirts nog eens aandachtig bekijkend. De vier langharige klanten in identieke, olijfgroene shirts bestuderend wilde hij weten of we een band waren. “Of gewoon een bende?” Dat laatste, met één optreden per land. Café Jos was vereerd het startpunt te zijn van de Kleine Landen Tour en was meteen de aangewezen plaats voor een Nederlandse specialiteit. We zouden door veertien landen reizen en wilden in elk land een regionale specialiteit eten of drinken. Nou ja, de hostie in Vaticaanstad mogelijk uitgezonderd.

Ook verkrijgbaar in lila en mintgroen (JS)

De bandenspanning en het oliepeil waren gecontroleerd, stoelen en achterbank gestofzuigd, de tank volgegooid en de auto was zelfs door de wasstraat gereden. Onze Volkswagen Golf, die volgens onze garage gegarandeerd niet door de volgende APK zou komen, was klaar voor vertrek. Met Nelleke op de achterbank en vervaarlijk dicht boven het wegdek hangend reden we naar ons eerste reisdoel – Limburg. Volgens de inmiddels omarmde definitie geen Klein Land, maar er waren redenen genoeg om in Echt te stoppen. Nelleke moest erheen en wij wilden na de Gulpener Dort en Christoffel van gisterenavond en de Drentse worst onderweg best een vierde Nederlandse specialiteit, in de vorm van Limburgse vlaai. De vader van Nelleke was al net zo zorgzaam als zijzelf en na enkele stukken appeltaart en vlaai vertrokken we met flesjes Brand, pakjes Sisi Frizzr, veiligheidshesjes (verplicht in tal van landen) en rolletjes pepermunt. Dat scheelde weer tanden poetsen de komende week. Uitgelaten wandelden we terug naar de auto. Wandelden, want de Golf stond vier straten verderop geparkeerd. Ook zonder de zestig kilo extra in de vorm van Nelleke waren de drempels hier al een onneembare hindernis en de bodemplaat was intussen mooi schoongeschraapt.

De cd met hits van Henk Wijngaard en andere liedjes over rijden, auto’s en snelwegen was alweer afgelopen toen we België binnenreden. Bels, vol fritkotten – tijd voor een pauze en weer een specialiteit, dachten we. Dat was wishful thinking, want tot St. Vith leidde de snelweg ons ras richting Luxemburgse grens. “Straks, langs die kleinere N-weg, staat het vol fritkotten,” blufte ik. ‘t Was waar: de laatste vijftien kilometers waren bezaaid met grote, puntzakvormige uithangborden. Ons kot, temidden van welig oprukkend onkruid, blonk uit in aftandsheid. De samuraisaus is een aanrader voor al wie dat er vanaf St. Vith zuidwaarts rijdt. En toen was het zover: een anonieme rotonde, dezelfde bossen als de afgelopen tien kilometer en we waren in Luxemburg. Ons eerste Kleine Land. Het grootste Kleine Land. En klein dat het was! Voor we het wisten parkeerde Jaap de auto in Vianden, pal onder het gotische kasteel dat dreigend op een heuvel boven het dorp uittorende. Het toch wat nichterige, gegolfde lichtblauw van de alternatieve Luxemburgse vlag met één of ander rood beestje erop imponeerde beduidend minder en ook de klim was een eitje voor ons, op deze dag waarop de benen strekken nog geheel pijnloos geschiedde.

Het uit de 11e eeuw daterende sprookjeskasteel was vermakelijk voor degenen die ervoor open stonden. Rare kikvorsharnassen, discussies over hoge stookkosten (Daan begon ons nu al beu te worden) en schandpalen om jezelf op uit te leven. Zelfs Patrick Swayze had het hier naar zijn zin. Dat was leuk, nu verder naar Luxembourg. Toch vijftig kilometer rijden – dit Kleine Land was zo groot dat er zelfs treinen reden. ‘Vous roulez’, lazen we op een digitaal verkeersbord dat we passeerden. Ja, dat doen we, maar Luxemburg is ook best vet. Zelfs de hoofdstad was de moeite waard. Zelden kan een stad mij bekoren, maar Luxembourg trok zich weinig aan van mijn stedenfobie. De door de Pétrusse en Alzette in het landschap getrokken voren maakten van Luxembourg een hoofdstad met spectaculaire hoogteverschillen. Dit reliëf werd vroeger gretig gebruikt en de kloofwanden aan de rivieren vormden één grote gatenkaas van kazematten, hoewel kaas en kazemat officieel geloof ik niets met elkaar van doen hebben. De oude Wenceslausmuur maakte van het nu hippe stadje vroeger een moeilijk te nemen vesting.

Waarom hebben we zelf geen leuke hoofdstad? (JS)

Nu diende het hoogteverschil vooral ter toeristisch vermaak met niet langer strategisch geplaatste verdedigingstorens, maar even strategisch gepositioneerde panoramapunten. Roze bloesems, de lieflijk stromende Pétrusse met daarboven de stad in al zijn lagen, rood en groen gekleurde bomen met daartussen af en toe het zachte mergel van de eeuwenoude gebouwen. Geen wonder dat er op dit moment een bruiloft plaatsvond en het halve land op de terrasjes zat in een lieflijk stadje als dit. Het was een mooi begin van onze Tour en we waren in onze nopjes. Onze glimlach en kekke tourshirts vormden voor de terraszitters een uitnodiging ons het een en ander te vragen. Meestal zijn het irritante flikkers van een studentenvereniging of hockeyclub die dezelfde shirts aan hebben, maar ja, die hebben natuurlijk geen baarden. “Hé, blijf eens staan! Ja jullie, kom eens hier.” Ons plan kon op enthousiaste bijval rekenen, maar waarom stond Nederland niet achterop onze shirts? “Nederland is toch geen Klein Land,” lachten we. Toch wel, vonden de Luxemburgers. Iedereen wist dat NL ‘Neu Luxemburg’ betekende. En als echte Nederlanders waren we zeker op de fiets? De terrasgangers proestten het uit. Rare Nederlanders! “Wat is nu een Luxemburgse specialiteit?” veranderden we het gespreksonderwerp. We hadden wel reclame voor de LuxemBurger gezien, maar dat klonk een beetje als fastfood. Het antwoord was eenduidig: “Haam!”

Haam, dat klonk goed. Voor de taalkundig minder begaafden: ham. Haam, kastelen en rotskloven – Luxemburg was zo gek nog niet, maar onze tijd in dit Kleine Land zat er alweer haast op. Morgen beloofde een zware dag te worden – 1158 kilometer rijden naar Andorra. Onze tourshirts begonnen al een beetje naar zweet te ruiken toen we ’s avonds de tenten opzetten op camping Kockelscheuer. De regen had netjes gewacht tot ’s avonds, maar wij zaten lekker binnen in de verlaten campingzaal. Tot we eruit werden geschopt, maar toen hadden we het behalen van ons eerste reisdoel al lang gevierd met flesjes Brand en Jaaps Spaanse peper/sinaasappelwodka. Op naar nog Kleinere Landen!

Ingesneeuwd zonder hasj en illegale drank
Het einde der tijden was weer leuk dit jaar

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*