Vrolijk getinte misère

“Hoe zou jij het vinden als ze over jouw hond zouden rijden?”, dacht ik. Emzari miste. Of het doelbewust was is me nooit duidelijk geworden, maar uit de berm opduikende viervoeters waren hier gevaarlijker dan op toeristengeld beluste bandieten. Het was nog donker toen we opstonden voor de enige bus naar Tbilisi en Zugdidi. Onderweg kwamen we Noam, Liz en nog wat stoefende buitenlanders tegen die we snel beu waren. Alleen met Ian wilden we best nog een tijdje optrekken, maar die ging dan weer naar Abkhazië. Zelf waren we op weg naar een andere autonome republiek. Adjara nam zonder morren genoegen met talrijke financiële privileges en liet in ruil daarvoor nadere onafhankelijkheidswensen in de koelkast staan (althans, sinds 2004), waar Abkhazië en Zuid-Ossetië “Neen!” riepen tegen alles wat uit Tbilisi kwam. We wensten Ian, trotse bezitter van een Abkhazisch visum, een goede reis.

Eva was het reizen toen allang beu. Ze voelde zich ziek en de belabberde plaatsen die we in het busje vanaf Mestia hadden maakten alles alleen maar erger. De overstap naar de Zwarte Zeekust ging gelukkig snel. Na de chauffeur van onze rit naar Svaneti herkend en hem geholpen te hebben met het duwen van een auto die niet wilde starten, kregen we de laatste zitplaatsen in een busje met bestemming Batumi, hoofdstad van Adjara. De warmste regio van Georgië, met ‘s zomers een luchtvochtigheid om nachtmerries van te krijgen, een subtropisch klimaat en een kust waar we waarschijnlijk niet de enigen zouden zijn. Als enige regio in het land heeft Adjara zelfs een systeem om toeristen van informatie te voorzien, al konden wij niet ontdekken wat dat systeem precies inhield. Er waren dan wel kleine hokjes met ‘tourist information’ erop in een park aan zee geplempt, maar de Adjaren volhardden in het niet bemannen van deze gebouwtjes.

Zo’n heuse badplaats werkte evenmin bevorderlijk voor Eva’s welzijn en al rond vijf uur ‘s middags viel ze in ons hotelletje in slaap, om pas rond negen uur de volgende ochtend op te staan. Nee, niet op te staan, wakker te worden, want aan Eva had je vandaag net zoveel als aan een bowlingbal tijdens een potje ping-pong. Uitzieken, rusten op bed en ik dus alleen Batumi in. Dit was een rijke streek. Hoge, de zon weerspiegelende kantoorgebouwen, dure hotels, palmbomen langs de boulevards. Palmbomen die vandaag wuifden in de krachtige wind. Er stond een sterke golfslag en zwemmen was op dit moment verboden. Er liepen zelfs strandjutters over het kiezelstrand. Dit was niet de soepzee die ik in Roemenië had leren kennen. Na een half uur stromende regen en bliksem gaf ik op. Ik vluchtte een stinkend dure strandtent in en begon te schrijven.

Subtropisch Gonio (EH)

‘s Middags wilde Eva wel een poging wagen om verder te leven. We stapten in de bus naar Gonio, richting Turkse grens. Het Byzantijnse en later Ottomaanse fort Asparunt uit de 3e eeuw voor onze jaartelling werd nu gebruikt als complex van volkstuintjes, bonte verzamelingen sinaasappel-, pruim- en palmbomen en plek van archeologische opgravingen. De flatgebouwen tegenover deze tuin van weelderig groen zijn even veelkleurig als die in Batumi. Hoe vrolijk de kleuren ook waren, het zag eruit alsof alles hier in Gonio op instorten stond. Het enige leuke aan een populaire badplaats als Batumi was dat als Eva ergens leest dat er veel prostituees rondlopen gelijk iedereen een hoer is in haar ogen. Wandelen is dan meteen een komisch tijdverdrijf. Na een donatie te hebben gedaan aan de Georgische economie in de vorm van het posten van ansichtkaarten die nooit aan zouden komen, vonden we met de nodige moeite een busje naar Pirveli Maisi.

Het binnenland van Adjara leek ons namelijk een stuk leuker dan de platgetreden paden aan de kust. Op onze kaart van Georgië leek het een grote weg, maar openbaar vervoer deze kant op bleef in Adjara. Hoe we over de Goderzi-pas zouden komen zagdn we later wel weer; nu wilden we oude bruggetjes over de Adzharis’kali zien. Een aardrijkskundeleraar in hetzelfde busje wist ze wel te vinden. Probleem was alleen dat Eva hem niet vertrouwde en wel op grond van haar ongeschreven regels (tot nu toe dan) waarmee de betrouwbaarheid van een willekeurig persoon geschematiseerd kan worden: grote, rustige mannen zijn sympathiek; iele, schichtige ventjes niet. Zelf ben ik dan weer wat minder bang van iele, schichtige ventjes, dus ik vond het wel best. In Pirveli Maisi liet hij ons de 12e eeuwse brug zien die sprookjesachtig de rivier overspande. Of ie nou Turks was, of in opdracht van de legendarische Georgische koningin Tamar werd gebouwd zou ons worst wezen, al spraken we die gedacht niet hardop uit. Het eeuwenoude stenen boogbruggetje leek als twee druppels water op de bouwwerken uit de prachtige verhalen van Ismail Kadare. Vlakbij de met mos begroeide stenen van de brug dronken we een biertje, terwijl de troebele modderrivier onder de enkele boog stroomde.

Uit de bergen stortte een waterval over Pirveli Maisi. In de schaduw bij dit moois was het aan de koude kant om te pootjebaden en in gegrild vlees hadden we nu, vlak na bij de brug al te hebben gezeten, geen zin. De leraar wel, maar die zocht het zelf maar uit. Wij namen een busje naar Dandalo. Aangewezen op de summiere informatie op onze landkaart, daar dit gedeelte van het land in onze reisgids niet besproken werd en de toeristische informatievoorziening in Adjara niet om over naar huis te schrijven was, kozen we de volgende historische brug als bestemming. In de marshrutka zat een cohort Fransen, op doorreis naar Armenië. Omdat we de oude boogbrug in Dandalo prima vanuit het busje konden zien, bleven we nog even bij ze zitten. Eén van hen sprak Russisch, de universele taal hier in de Kaukasus en informeerde voor ons in Shuakhevi naar een kasteel dat op onze kaart stond getekend. Het zei de mannen, die druk bezig waren niets te doen, niet veel. Geen probleem – we stapten uit in het volgende dorpje, Zamieti.

Dorpje is wat overdreven. Er stond alleen een bushalte; zand stoof op achter de optrekkende bus. Alleen een cowboy die vol wrok zijn mondharmonica bespeelde ontbrak, maar al met al stonden we tamelijk in the middle of nowhere. Een kleurrijk bord met middeleeuws bruggetje erop geschilderd wees van de weg af, het dal in. Op zich niet onlogisch als je weet dat bruggen vaak over rivieren lopen. Een zonnige wandeling later mochten we uit twee bruggen kiezen: het acht eeuwen oude, flink steile stenen bruggetje, of de wat recentere brug waarvan de houten planken een klagend geluid produceerden en de rivier ver beneden ons regelmatig door een brede spleet tussen of gat in de planken zichtbaar was. Het was niet moeilijk te raden welke brug er over enkele honderden jaren beter aan toe zou zijn. In de hitte joegen we onze voorraad water er in noodtempo doorheen, dus liep ik naar een houten gebouw waaruit luide muziek me tegemoet klonk. Geen café, bleek al snel. Kale, brede kerels met dure auto’s stonden me vragend op te wachten. Rijke patsers die vloeiend Engels spraken. Kwamen niet heel betrouwbaar over (en ze waren nog wel groot en rustig!), maar praatten wel graag over Amsterdam. Dat kenden ze wel. Kwamen ze graag. Ik vulde mijn flessen, bedankte en riep “Houdoe!”

Denkend aan Ismail Kadare (EH)

Terug op de hoofdweg kregen we al snel een lift. Of we de chauffeur wilden verexcuseren voor het ontbreken van de achterbank. Dit was geen stinkend dure patserwagen, maar een 35 jaar oude Wolga. Die scoort toch wat hoger op de Ladder van Vermaak. De bestuurder en zijn bijrijder met bescheiden kennis van de Engelse taal handelden in benzine. De leveranciers stopten bij elk tankstationnetje, waarna de Wolga weer gestart werd door loshangende elektriciteitskabeltjes met elkaar in verbinding te brengen. De Wolga bracht ons tot Khulo (hoe harder je het uitspreekt, hoe meer het op een scheldwoord lijkt), de laatste ‘grote’ plaats in de vallei. Veel verkeer reed er hier niet meer. Er was sprake van een bus, maar die hebben we nooit gezien. Na een uurtje besloten we te lopen, op zoek naar een geschikte plek om de tent op te zetten. Vrij onhaalbaar in een streek met zoveel bergen. Er kwam geen eind aan het lintdorp en alle tuinen waren scheef. Het is maar goed dat de Georgiërs zo gastvrij zijn dat je je tent lang niet altijd nodig hebt.

Een busje had plaats voor twee extra lifters. Er zat al een Pool in. Man, wat een Polen hier. Het lijkt Nederland wel. Adam was via Slowakije, Roemenië, Bulgarije en Turkije naar Georgië gelift en zoals zovelen hier op weg naar Armenië. Zijn vrouw en kinderen zaten niet te wachten op zo’n reis en hadden hem monter uitgezwaaid. “Dag Adam, tot over een paar maanden!” Pruimen etend probeerden we ons zo goed en kwaad als mogelijk was aan de wanden van het busje vast te houden. De verklaring waarom hier geen openbaar vervoer reed was plots erg tastbaar geworden. Ook ons busje had er al snel genoeg van. Na een onderhoud in het Russisch vertelde Adam ons dat we gingen eten: we waren uitgenodigd voor een supra. Daar liepen we nu heen; de bagage volgde later wel. Ja, dat klonk verdacht, maar voor we konden protesteren reed het busje er al vandoor met onze rugzakken, terwijl twee van de mannen met ons naar een oud, houten huis tussen de bomen iets van de weg liepen.

Voor het deels op houten palen gebouwde huis stond Tomas ons op te wachten. Klein mannetje, snor, trots dat gasten zijn huis aandeden. Tomas was het hoofd van een moslimfamilie, zo te zien. Er hingen bonte tapijten aan de muren. Zonder schoenen schuifelden we over de houten vloer naar een logeerkamer met drie opgemaakte bedden. Wat een toeval. Een vrouw serveerde Turkse koffie en zoete snoepjes, die Tomas met ons deelde. Een tijd later kwamen de chacha, rijk met koriander gekruide salades, lamsvlees en ander eten. Grote, ongure sujetten schoven bij ons aan. De bouwvakkers die ons een lift hadden gegeven. Eén van hen, degene met de meest intense blik in zijn ogen, leek verbazingwekkend veel op Iwan, één van mijn oud-teamgenoten bij de Nijmegen Pirates. Dat zou dus wel een goeie kerel zijn.

Ik had mijn lesje geleerd en hield het bij vier, vijf glazen sterke drank. De toasts verliepen zoals gebruikelijk. Er werd gedronken op ontmoetingen over grenzen heen, op elkaar begrijpen ondanks verschillen, op toekomstige kinderen enzovoorts, enzovoorts, enzovoorts. De toastmeister raakte al aardig boven zijn theewater en ook Adam hield zich niet in. We dronken met z’n drieën, met onze armen ineen gehaakt. Eva voelde zich nog niet helemaal beter, maar chacha was een bijzonder krachtig medicijn volgens Tomas, die maar een enkele keer een glas leegde. De vrouw van de man die het woord deed wist hoe laat het was en begeleidde haar dronken vent laat op de avond naar huis. Uit de bus werden zowaar onze rugzakken gehaald, waarna ik als een blok in slaap viel op mijn trampolinebed.

Het binnenland van Adjara (EH)

Hoe ze het deden weet ik niet, maar toen ik wakker werd stond het ontbijt al klaar, met veel thee. Ik slaap nochtans licht. “Do you still think chacha is great?”, vroeg ik Adam. “Nooooooo…”, kreunde de Pool. Herkenbaar. We bedankten Tomas en verlieten zijn lieflijke huis, met dat fornuis midden in die rustieke, houten keuken op palen, om verder te liften. Of te lopen, want een plan hadden we niet. Een aan alle kanten met mensen volgestouwde vrachtwagen kroop ons voorbij. Indische taferelen. Het was ochtend, de berglucht was fris en het was fijn om de chacha in deze aangename temperaturen uit de benen te lopen. Precies lang genoeg ook: een paar kilometer verderop, in het dorpje Danisparauli, kregen we een lift.

De Georgiër die ons meenam had een computerzaak in Tbilisi. Hij was op weg naar zijn dochter in Peshumi. Voor de eerste keer. “Ik ben dus ook een toerist,” lachte de verlegen man. De weg was avontuurlijk (het optimistische equivalent van ‘slecht’) met flink steile afdalingen die zelfs voor de dure 4×4 een uitdagende hindernis vormden. Peshumi reden we per ongeluk voorbij, waarna de jeep halt hield bovenop de Goderzi-pas. Ik had een bultje in de weg verwacht, vergezichten in de richting van zowel Adjara als Samtskhe-Javakheti wellicht, desnoods zelfs een monument van ‘t een of ander. In plaats daarvan kraampjes en wapperende vlaggen. Het leek het dak van de wereld. India, nee, eerder Mongolië. Het was augustus en bar koud. Huisjes van houten planken, golfplaten en alles wat maar voorhanden was trotseerden de wind in een boomloos landschap. Stenen en gras met daartussen de weg die de vulkanische hoogvlakte inslingerde.

In deze geïsoleerde, arme regio waren we een bezienswaardigheid. Op elk balkon van de ver uiteenstaande hutjes stond een familie ons van een afstand te bezichtigen, om te zwaaien nadat wij hun kant op keken. Waar de mensen van leefden was moeilijk te zien. Af en toe graasde er ergens een koe; de weinige hooimijten die we zagen waren op z’n Eva’s gemaakt. Goed bedoeld, maar kon je daar van leven? Een marshrutka haalde ons uit onze overpeinzingen. Openbaar vervoer? Hier? Neen! Het waren de Fransozen van gisteren. Hun chauffeur vond de weg ‘s avonds te gevaarlijk om verder te rijden, waarna ze ergens in een dorpje overnacht hadden. En nu mocht iedereen met ze mee. Als wormen in een potje ging het verder naar Akhaltsikhe, zodra we na een lange rit overstapten op een echte bus. Het contact met mijn buurman was weinig plezierig, aangezien het enkel fysiek contact tussen mijn slaap en zijn schouder betrof. Ik kon in deze hitte ondanks de adrenaline onmogelijk wakker blijven, hoe desastreus de potentiële gevolgen van het rijden op deze wegen ook waren.

Links op de weg viel het nog wel mee en die kant koos de chauffeur dan ook regelmatig. Tegenliggers dachten er helaas hetzelfde over. Wie als eerste naar rechts uitweek was een watje. Hoe verder we de hoogvlakte opreden, hoe meer het leek alsof we in Afghanistan verzeild waren geraakt. Gele en bruine tinten overheersten. Dorre, droge bergen waren zichtbaar door de heiige lucht. Het was buiten de bus inmiddels 40 ºC en dan weet je dat het binnen ook geen pretje was. Na lang, heel lang hobbelen reden we Akhaltsikhe binnen. Newcastle, maar dan Georgisch – en vast minder mooi. In de drukkende hitte namen we afscheid van Adam, om op zoek te gaan naar een bus met bestemming Vardzia; een middeleeuwse grottenstad waar Tolkien van zou gaan kwijlen.

De grond was er vast goedkoop
Gaumarjos!

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*