Wat is het toch fijn om Turk te zijn

‘Ne mutlu Türküm diyene,’ stond er levensgroot op de zuidflank van het Beşparmak Dağlari dat zich dreigend aan de horizon verhief. De toch niet bijzonder kleine Griekse vlaggen die hier ten zuiden van de verdeelde hoofdstad in de wind wapperden, vielen volledig in het niet bij de meer dan vierhonderd meter brede vlag van de Turkse Republiek Noord Cyprus. Het gevaarte is niet alleen voor veel Grieks-Cyprioten aan de andere kant van de betwiste grens zichtbaar; zelfs in Googlemaps hoef je niet zo gek ver in te zoomen om te zien hoe trots ze er hier op waren Turk te zijn. Een staaltje provocatie dat ik wel kan waarderen.

Defenestreert u even mee? (EH)

Bezet gebied volgens de Grieks-Cyprioten; een volledig onafhankelijk land volgens Turkije. Een schertsstaatje ter grootte van Overijssel, slechts door één land erkend en daarmee on par met Abkhazië, Transnistrië, Zuid-Ossetië en Nagorno-Karabach. Verdere overeenkomsten met dit infame rijtje boevenstaten: de Turkse Republiek Noord Cyprus, of kortweg TRNC, intrigeerde me mateloos. Naast de Europese vijftig zou ik ook dit rijtje graag afvinken. Waren er ook verschillen? Vast, want om te beginnen verliep de grensovergang soepel. Wat heet – de douaniers waren hier ontzettend sympathiek. Of we de stempel in ons paspoort wilden, of liever op een apart strookje. Of we nog toeristische brochures wilden hebben van Lefkoşa, Girne of het Karpaz schiereiland. Als Transnistrië maar half zo gastvrij is – nee wacht, dat is wat al te veel gevraagd.

Om de aanwezigheid van de hier al bijna veertig jaar gestationeerde Turkse troepenmacht kon je niet heen. ‘Yasak bölge girilmez,’ stond er op rood/zwarte borden met daarop een soldaat; geweer in de aanslag. En die borden stonden overal in het Beşparmak Dağlari of Pentadaktylos gebergte, waar we de ene militaire basis na de andere passeerden. Droge knallen volgden elkaar met regelmatige tussenpozen op. Als een bocht in de weg een basis aan het oog onttrok, herinnerden de geluiden van de schietbaan je er wel aan dat het leger hier nooit ver weg was. Onze pacifist in de dop snapte er niets van. “Wat is al die herrie?” vroeg Ilva. “Soldaten die oefenen met schieten,” antwoordde ik. “Waarvoor oefenen ze dan?” Ik legde uit dat ze oefenden zodat ze op mensen die ze stom vonden konden schieten. “Maar… als iemand anders die nou níet stom vindt?!” reageerde Ilva geschokt. Tsja, dat is inderdaad de keerzijde van oorlog. Maar dat snapt iemand van drieëneenhalf waarschijnlijk beter dan volwassenen.

Na de zoveelste slinger in de weg doemden de grimmige ruïnes van St. Hilarion voor ons op. Een machtig kruisvaarderskasteel dat een beetje tekort werd gedaan met de mededeling dat Walt Disney het kasteel van Sneeuwwitje aan deze onheilspellende contouren ontleend had. Ilva vond de Efteling bovendien beter, al weet ik niet of ze het met de film Sneeuwwitje of met dit schitterende middeleeuwse kasteel vergeleek. In ruigere tijden werd hier naar hartelust gedefenestreerd – betere ramen waren ook nauwelijks denkbaar voor deze in onbruik geraakte activiteit – maar nu was alles pais en vree. Aan de boomtakken hingen pijlslangen, hardoenen schoten omhoog langs steile bergwanden en parelskinken (Chalcides ocellatus) verscholen zich onder rotsblokken.

Duizend-en-één-nacht (EH)

Eigenlijk verbleekte alles wat we in het zuiden hadden gezien bij het indrukwekkende St. Hilarion, waar we vanuit de koninklijke appartementen bovenop de bergtop uitkeken over de grillige bergkam en de kust bij Girne. Maar op kampeervlak verschilden de Grieks- en Turks-Cyprioten niet zo veel van elkaar, hoe anders ze zichzelf ook wilden voordoen. Op camping Incirli in Lapta stond geen enkele tent, maar vol waren ze wel. “Je mag je tent wel op mijn parkeerplaats opzetten,” improviseerde Ismail stuntelig. Vertwijfeld keek ik naar het grind langs de weg. Toen hij Eva zag herinnerde meneer zich plotseling dat hij ook spotgoedkope kamers met uitzicht op zee verhuurde. Ismail en zijn zwangere vrouw Meriam waren gek op Ilva en Rune, hadden Efes en lamsvlees op voorraad en trakteerden ons op meloen, moerbei en loquat. Wat wil een mens nog meer? De metalen veren in het matras tellend om in de voorjaarshitte in slaap te vallen had ik tijd genoeg om daar eens over na te denken.

Wat ik moest denken van de monumenten aan de kust bij Karaoğlanoğlu wist ik zo gauw niet. Onderweg van Lapta naar Lefkoşa, de enige verdeelde hoofdstad ter wereld, kwamen we langs het strand waar Turkije in 1974 de Vredesoperatie startte. Een kolossaal, communistisch ogend monument markeerde de exacte plek, terwijl zeventig grafstenen herinnerden aan hen die vielen voor de vrijheid van de Turks-Cypriotische broeders. De Turkse en Noord-Cypriotische vlaggen wapperden zij aan zij. Lefkoşa had zijn Museum of Barbarism waarin Griekse misdaden uitvoerig werden uitgemeten; het zuiden van de stad had het EOKA Museum waarin de Nationale Organisatie van Cypriotische Strijders werd verheerlijkt en de Turken in het verdomhoekje stonden. De Engelsen trouwens ook, al stonden de British Colonial Law Courts er hier ongeschonden bij en boden ze een aanblik alsof de koloniale tijden hier nog lang niet tot een eind waren gekomen.

Turken, Grieken – één pot nat, dus wij vermeden de musea en deden wat iedereen hier deed: de straat op. Het leven leek zich hier vooral buitenshuis af te spelen, waar bakken vol peulen van de Johannesbroodboom en tienliterpotten vol augurken en wortels op zuur stonden uitgestald. Strijdbare oudjes dronken hun koffie voor de Partizanenbar; de vlag van Noord-Cyprus hing overal en de groene lijn die Lefkoşa van Lefkosia scheidde was nooit ver weg. In de VN bufferzone wonnen ongecontroleerd woekerende planten elk jaar weer meer terrein. De duistere openingen waar ooit vensters en deuren hadden gezeten boden een onwerkelijke aanblik, net zoals de tot moskeeën omgebouwde gotische kathedralen. De Agia Sofia had middenin om het eender welke Franse stad kunnen staan als de Ottomanen in 1570 niet twee indrukwekkende, maar een beetje met deze bouwstijl vloekende minaretten op de nog niet voltooide kathedraal hadden gebouwd.

Gotiek in de Levant (EH)

Dan was de Büyük Han een stuk mooier. Nee, dat is te zwak uitgedrukt: de karavanserai waar handelaren en kamelen ooit uitrustten kwam regelrecht uit de sprookjes van Duizend-en-één-nacht, al was schaduwspeler Mehmet Ertuğ helaas ziek. De poppenspeler, de laatste van zijn soort, werd oud. Ilva verbaasde zich hier over krioelende zijderupsen, terwijl Rune betoverd werd door een dansende derwisj vlakbij de Selimiye Camii. In essentie gaat het hier om een kerel in een jurk die rondjes draait, maar een giftige Eva meende dat ik de essentie dan juist volledig had gemist. De derwisjen wilden gelovigen van verschillende religies nader tot elkaar brengen en maakten het voor hun mogelijke belangstellenden voorzichtigheidshalve niet te complex: zwart is slecht, wit is goed – hiermee werd blijkbaar geen moslim, christen of jood beledigd. Verder hielden ze één hand naar de zon gericht, en één hand naar beneden om contact te houden met de aarde. Er werd altijd linksom gedraaid, net als de planeten. En je hart zit tenslotte ook links. Het kon Ilva allemaal niet bommen en in het zaaltje waar het toch al een behaaglijke veertig graden was, zorgde ze er door bij mij op schoot in slaap te vallen voor dat ik niet bang hoefde te zijn het koud te zullen krijgen. Het was vechten om de ogen open te houden. De derwisj draaide en draaide voor vijf man publiek en ik had graag wat meer op Rune geleken dan op Ilva.

Soms is een geheugensteuntje wel prettig. Veel scooters waren hier voorzien van een grote L. De Cyprioten vonden het zelf dus ook best lastig om te onthouden dat je hier links moest rijden. Lefkoşa was ons geheugensteuntje om ons eraan te herinneren dat we steden meestal in een halve dag wel gezien hebben. Met een gespiegelde Manta-arm reed ik terug naar Lapta, voor een middagje strand. Lauwe Efes, zand in je bilnaad en verbranden maar. Dit was pas vakantie. Goed dat niemand ons eraan herinnerde dat wij meestal de eersten zijn om deze manier van vakantievieren met de grond gelijk te maken. Nu genoten we in de strandtent van een bord vol voppa’s, tot Ilva zich ermee bemoeide: “Arm visje. Nu missen zijn zusjes en vriendinnetjes hem.” Ik probeerde de zaak nog te redden door op de vijf andere vissen op de borden van Eva en mij te wijzen: “Misschien zijn dat zijn zusjes en vriendinnetjes wel.” Eva’s eetlust kwam er niet mee terug.

Ja, wat is het fijn om met kinderen te reizen. Na een relatief rustig Hermitage in Sint Petersburg en dito Alhambra in Granada hadden we de Abdij van Bellapais nu voor ons alleen. En je mag kinderen om de onbenulligste dingen complimenteren. “Wat ben je goed aan het drinken, Ilva.” Op een gegeven moment is het afgelopen met dit soort complimentjes. Zonde eigenlijk. Mental note: de volgende keer dat Daan of Rudolf op instorten staat, moet ik hem toch maar feliciteren met de mooie prestatie. Bovendien komt Ilva soms met prachtige verhalen, zoals vandaag haar visualisatie van dromen: “Soms droom ik met plaatjes. Die hangen aan touwen. Er is een touw met papa, één met mama, één met Rune, één met Cyprus, één met Roemenië, één met bergen. En de plaatjes zijn als glas, ze zijn doorzichtig.”

Groter is beter (EH)

De abdijruïne van Bellapais was ook een plaatje, en er was verder helemaal niemand. Hardoenen bewaarden hun evenwicht op de spitsen van eeuwenlang verval trotserende gotische bogen; palmbomen en cipressen groeiden tussen de afbrokkelende kruisvaardersmuren. Lang vergane luister die dromerig stemde, maar ons niet voorbereidde op het verlaten Buffavento. Hoog in het Beşparmak Dağlari lag het meest vervallen, maar ook het spectaculairst gelegen kruisvaarderskasteel. Ruige bergkammen strekten zich pal naar het oosten en westen uit, met diep onder ons aan de ene zijde de dorre Mesaoriavlakte en aan de andere kant het blauwe water van de Middellandse Zee. Een vijandigere plek was nauwelijks denkbaar, maar daar dacht het huis Lusignan ooit anders over. Ook nu nog waren de droge stenen niet uitgestorven. “Wat zit hierachter?” vroeg Ilva bij een luikje in de kasteelmuur. Ik was blij dat ze het vroeg, en Ilva op haar beurt was erg blij met de kleine Europese tjitjak (Hemidactylus turcicus) die ik over haar hemdje liet kruipen.

Een informatiebord onderaan Buffavento was trouwens geen overbodige luxe geweest. Daarop had bijvoorbeeld kunnen staan dat het zeker drie kwartier ploeteren was naar de top en dat je niet aan de beklimming hoefde te beginnen zonder een basisuitrusting van goed schoeisel, voldoende water en boerenverstand. Vooral aan dit laatste schortte het wel eens bij onze tegenliggers. Een puffend Schots echtpaar was zielsgelukkig met de fles water die we ze halverwege de berg gaven en besloot nu, ondanks de ongezonde rode tint op hun gezichten, toch verder te klimmen. Het volgende stel meende geen water nodig te hebben en wuifde onze goede raad weg. Op slippers werd, nota bene met kind, aan de klim begonnen. De brandende zon stond op het hoogste punt. Of we zelf zo verstandig waren was misschien ook punt van discussie. Het was voorlopig in ieder geval onze laatste wandelvakantie, want met Ilva en een paar liter water in de kinderdrager zeulde ik al gauw twintig kilo mee de berg op. Wat mij betreft ruim voldoende bij 30 °C.

Op de zuidelijke hellingen van het Beşparmak Dağlari waren honderden Turks-Cyprioten bij elkaar gekomen om als samenklittende pinguïns die de vrieskou trotseren hun vrije dag door te komen. Op de afgeladen picknickplaats bij Taşkent was het fileparkeren voor je je Turkse toeterfluitmuziek op maximaal volume kon zetten en de barbecue aan mocht zwengelen. Wat is het toch mieters om Turk te zijn. Als Turk hoefde je het verwaarloosde Byzantijnse Panayia Absinthiotissaklooster aan de overkant van de weg geen blik waardig te keuren, mocht je een bovenlipbedekkende snor laten staan en hoefde je je afval niet eens op te ruimen. Dit was de plek waar de provocatieve vlag van Noord-Cyprus met bergvullend font de helling sierde. Over een enorm oppervlak was elke steen wit of rood geverfd; volgens de op hun pik getrapte Grieken met middelen die een milieuramp van ongekende proporties onafwendbaar maakten. Of ik mijn mening over de vlag hierdoor moest herzien? Echt niet.

Lekker, die liflafjes en arme visjes (JS)

Ja, het is mooi om Turk te zijn, want het Turkse deel van het eiland had een stadje waar de Grieken niet aan konden tippen: Girne. Bootjes dobberden in de haven voor het oude douanegebouw en het Venetiaanse fort, Girne Kalesi. De afbrokkelende kettingtoren waar vanuit de haven ooit met een gigantische ketting kon worden afgesloten – net als de Bosporus bij İstanbul – was al eeuwen niet meer in gebruik. Zo’n ketting klonk best vernuftig, maar aan tactische hoogstandjes als deze heb je bar weinig wanneer je net als die lafbekken van Venetianen besluit je fort zonder slag of stoot op te geven zodra je de eerste Ottomaanse boot ziet. Voordeel was wel dat de onveroverbaar ogende muren van Girne Kalesi nu nog helemaal intact waren. Opmerkelijk was dat dit ook voor een in een donkere, koele kamer van het fort bewaard schip gold. Het 2300 jaar oude Griekse vaartuig was het oudste schip dat ooit ergens teruggevonden was. In essentie een hoop op de zeebodem gevonden planken die provisorisch weer aan elkaar geplakt zijn, zou je kunnen zeggen. Maar dan heb je de essentie volledig gemist, vind ik.

Waar kun je op Cyprus nou beter meze eten dan aan de halfronde, beschutte haven van Girne? Voor ons glinsterde het deinende water, achter ons omsloten de gekartelde randen van het Beşparmak Dağlari de stad. De minaret van de Djafer Pasha moskee baadde in het gouden avondlicht terwijl we onze meze, Cypriotisch voor liflafjes, op tafel kregen. Dit was dus de manier om Ilva aan de groente te krijgen: met keuze uit halloumi, olijven, hummus, aubergine, tzatziki, gegrilde courgette en zeebrasem eigende ze zich het schoteltje rode bieten toe. Die kende ze tenminste. Rune kon het principe van liflafjes wat meer waarderen en stapte na het eten kraaiend van plezier over de kade. Van op hun wandelstok leunende gepensioneerden tot flanerende macho’s, iedereen lachte ons toe om ons vrolijke, blonde manneke. Wat was het fijn om onder Turken te zijn.

Ezels
Groeten uit Camp Crystal Lake

1 Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*