Weer niet gelukt

“Het is weer niet gelukt hè?” sneert Jan steevast bij onze thuiskomst van Ragnarök. Nee Jan, de wereld is alweer niet vergaan – maar als het een keer wel gebeurt pak ik je er nog wel mee terug. Ja, Ragnarök propageert het einde der tijden, maar de doelstelling van het festival is tweeledig. Of drieledig, want naast alcoholverheerlijking (het maakt niet uit wat je drinkt, als je er maar veel van drinkt) is er ook fijne muziek. Ook bij het tienjarig jubileum staat Ragnarök nog altijd op eenzame hoogte op gebied van pagan, folk en black metal. Al belooft Kilkim Žaibu in Litouwen ook een mooi feestje te zijn – maar daarover later dit jaar meer.

Ik zeg denk ik niets te veel als ik beweer dat Ragnarök het mooiste metalfeestje sinds Wapenfest zou worden en het gaspedaal werd dan ook niet ontzien op de heenweg. Met een kleine draaikolk in de dieseltank scheurden we dieper en dieper Duitsland in, om al rond half twee ’s middags op de camping in Lichtenfels te staan. Antoine speelde dit jaar Sjaak Afhaak en aangezien de vijfendertig mede die we hem beloofd hadden toch al betaald waren, gingen de flessen meteen open. Dat is ook gelijk de belangrijkste reden om iets over Ragnarök te schrijven dit jaar. Valt er nog veel nieuws te melden wanneer je een festival voor de zevende keer bezoekt? Nou, laat ik eerst stellen dat dergelijke redeneringen me er nimmer van weerhouden iets te schrijven over de zoveelste zombiefilm of rugbywedstrijd. Bovendien blijkt de herinnering aan ons jaarlijkse weekendje Bayern steevast hiaten te bevatten bij Daan, Gijs, Marijn, Rudi en mij. Ik kijk dan ook uit naar de aanvullingen op dit relaas.

 

In tegenstelling tot voorgaande edities hadden we geen haast, wat een recept bleek voor een reis zonder files of omrijden via Berlijn. We hadden zelfs nog tijd om boodschappen te doen: bier, bier dat naar bruine boterham met pindakaas smaakte, nog meer bier, mede, nog meer mede, wodka, nog meer wodka en een handdoek voor Daan omdat die het stomme plan had om in de Main te gaan zwemmen. Al om half vier stonden we in de Stadthalle met de eerste halve liter in onze van verwachting reeds klamme handjes. Geen minuut te vroeg, want de opvallendste band van het weekend speelde vroeg op de vrijdagmiddag. Hellride (“HellRIGHT!”) bestond uit twee akoestische gitaren en een zanger. Verder niks. Drie als priesters verklede veertigers met een foeilelijk bandlogo en plezier voor tien. De covers van Black Sabbath, Korpiklaani’s Vodka! en zowaar Amon Amarth zorgden ervoor dat de stemming er gelijk goed in zat. Terwijl Rudi de gitarist van Hellride nog even beledigde, waren wij alweer vrienden geworden met de eerste Duitsers in het publiek. Of je ze nu wortels geeft, stickers op de rug plakt of aan hun baard friemelt, Duitse metalfans blijven sympathiek.

Darkest Era (“Darkest’RAAAHHH!”) uit Noord-Ierland prolongeerde de heavy metalsfeer nog even, waarbij de bierbuik van de zanger een perfect resonerende klankkast vormde. Niet mijn stijl, maar wat ze deden deden ze wel goed. Dat konden we van Winterstorm niet zeggen en het gothic Ava Inferi kon ons gestolen worden. Gauw naar de dönertent dus, nu Rudi’s amplitude nog niet voor ongelukken zorgde. De dönertent voer zo te zien wel bij de jaarlijkse extra inkomenspost en had uitgebreid. Je kon er nu binnen zitten, maar daar hadden wij uit nostalgische overwegingen geen zin in. Na drie keer aanbellen opende de beste man zijn raampje zodat we buiten onze bestelling konden plaatsen. Dat we daarna toch binnen gingen zitten vonden ze minder grappig dan we het zelf vonden, waarna Marijn een halve liter bier op de vloer kapotgooide.

Na de dürüm döner met een broodje Bratwurst te hebben weggespoeld, voelden we ons in de Stadthalle wat meer welkom. Thuisploeg Der Weg einer Freiheit speelde fijne black metal zoals Marijn en ik het graag horen. Het moet omstreeks dit tijdstip zijn geweest dat de shirts uitgingen, om – gezien het feit dat we op driekwart van alle foto’s die ik later op mijn camera terugvond met ontbloot bovenlichaam staan – voorlopig niet meer aangetrokken te worden. Daan, Marijn en ik hadden er zin in, Rudi had niet meer helemaal door wat er om hem heen gebeurde en was een eenvoudige prooi voor ons enthousiasme, en Gijs bezweek voor de peer pressure maar hield demonstratief zijn sjaal om. Ook de Duitsers om ons heen waren goed te spreken over zoveel mannelijk naakt.

Nu bestaat er de mogelijkheid dat er voorafgaande aan het optreden van Fjoergyn een minuut stilte in acht werd genomen voor een vorig jaar tijdens het festival overleden Duitser, maar ook ik kreeg niet alles meer honderd procent mee. Eigenlijk verdiende het slachtoffer een eervolle vermelding bij de Darwin Awards, maar een beetje sneu was het natuurlijk wel. Laat het een les voor iedereen zijn: nooit gaan slapen met een nog nasmeulende barbecue in je auto en als je het dan toch per se moet doen, niet alle raampjes hermetisch sluiten. Wat ik wel meekreeg was dat Fjoergyn eens te meer zonder filharmonisch orkest optrad. In plaats daarvan zond festivalorganisator Ivo Raab een liedje mee en dat was ook wel aardig. Die kerel moesten we morgen nog even aanklampen. Fjoergyn had geen last van het kwaaltje waar zoveel bands onder gebukt gaan: de Duitsers worden met de jaren zeker niet softer en hun vierde cd was zelfs hun eerste met een zwarte hoes na drie keer een artsy fartsy wit design.

 

Ook Agrypnie ging van wit naar zwart. Technisch hoogstaande black metal met een randje death en onbegrijpelijke songtitels als 16[485] en Figur 109-3. Zonde dat we de zanger later wegjoegen toen ie bij ons kwam staan, want deze jongens verdienden een complimentje. Het marathongevoel hield nog even aan want Agrypnie was nog niet klaar of Dornenreich stond al in de startblokken. Treurende maar ook boze Oostenrijkers die met hun viool de juiste snaar weten te raken. Vooral bij Erst deine Träne löscht den Brand laat ik me iedere keer weer met de ogen gesloten meevoeren door de onverwachte subtiliteit. Vier uur metal die je niet mocht missen – dan viel het sowieso niet mee je ogen open te houden zonder koffie. Sterker nog, Eva en Nelleke noemden het al een dag en liepen terug naar de camping. En omdat het nichterige Zwitserse hos-, spring- en dansensemble Eluveitie de bühne nu betrad, konden wij er ook mooi even tussenuit.

“Fiepke, ik ben zo zat als een toeter,” hoorde ik van Gijs. Stating the obvious noemen ze dat. Wellicht dat een knoflookbrood hier wat soelaas kon bieden. Terwijl Daan even verderop de grill leeg at (twee Feuerfackels, twee lappen ongedefinieerd vlees en drie Bratwursten, de grillers dusdanig in vertwijfeling achterlatend dat zowel zij als Daan vergaten dat hiervoor eigenlijk betaald diende te worden), wilden Gijs en ik liever iets pittigers. De knoflookbroden waren doe-het-zelf bouwpakketten en de drank maakte ons overmoedig. De Duitser naast me keek fronsend toe hoe ik peper na peper op mijn broodje legde, om zich daarna niet te laten kennen en zelf een peper of twee meer te nemen. Nu nog een pollepel hete saus erover (“Vorsicht – macht au!”), waar we de volgende dag nuchter meer van proefden. Na het geheel met een zak friet te hebben weggespoeld maakte Gijs zich uit de voeten, waarna Daan, Marijn en ik met een zatte Rudi achterbleven.

Gijs was de weg wel een beetje kwijt en belde Nelleke midden in de nacht in paniek op. “Ik weet niet waar ik ben!” Hij wist nog wel dat het eigenlijk helemaal geen anderhalf uur lopen was naar de camping. En toen hij een telefooncel vond na zijn beltegoed er in paniek door te hebben gejaagd, wist Gijs ook het telefoonnummer van Marcel nog. “Marcel, je moet Nelleke bellen want ik ben verdwaald in Duitsland!” Fijn hoor, nu was Marcel ook in paniek.

Op het festivalterrein was het bier nog lang niet op, maar Daan en ik hadden er wel genoeg van binnengekregen om in dronken staat shirts te gaan kopen. Met wisselende gevolgen. Daan vond een spuuglelijk Týr shirt voor Marijn, een babyblauw Lonely Kamel shirt voor Jaap en een dit-moet-je-zien-om-het-te-geloven tekenfilmachtig Alestorm shirt voor Gijs. Zelf vond ik een kleurrijk Kvelertak shirt waarvoor Eva mijn enthousiasme de volgende ochtend niet deelde.

 

We hadden nog twee bands voor de boeg om weer een beetje nuchter te worden, maar daar had Shining duidelijk geen behoefte aan. “Wat is dit?” wilde Daan weten. “Shining, uit Zweden.” Waarna hij een dutje ging doen, en Marijn en Rudi was ik kwijt. De geladen sfeer bij Shining deed denken aan die bij Nachtmystium vorig jaar. Zanger Kvarforth schold zijn publiek na elk nummer uit (“You German faggots!”), viel regelmatig om met zijn microfoon in de ene en fles whisky in de andere hand en dreigde zijn microfoonstandaard het publiek in te smijten. “En nu we toch op dat kutfestivalletje van jullie staan, gaan we spelen ook!” was de boodschap. Depressieve, agressieve en intense black waaraan geen ontkomen was – tenzij je net als Daan en Marijn sliep of net als Rudi niet door had dat je nog op het festival was. De vijandige sfeer bleef een extra vijfentwintig minuten hangen omdat de band weigerde het podium te verlaten en keer op keer een nieuw nummer inzette, waarna de organisatie het welletjes vond en de band het podium afstuurde.

Daarmee bleef er veel te weinig tijd over voor slotact Heretoir, waarbij zowaar iedereen weer overeind stond. Rudi zonder bril, dat dan weer wel. “Waar heb je al gezocht?” wilde ik weten. Rudi keek met lichte tegenzin links en rechts van zijn schoenen om vervolgens toe te geven dat zijn zoekacties tot op dit moment tamelijk lokaal waren gebleven. De shoegazers van Heretoir richtten hun blik geen moment op het publiek en waren daarmee vast van meer nut geweest bij het helpen zoeken naar de bril. En ze hadden een donkere zanger – een rariteit in de black metal. Fantastisch, oordeelden we unaniem. Heretoir verdiende meer speeltijd en een minder beschonken publiek. Want, eerlijk is eerlijk, dat laatste gold ook voor ons.

Eerder die dag kreeg ik nog een tik van Daan omdat ik zijn broertje tot diefstal had aangezet. Moeders zijn altijd bang dat hun kinderen met foute vrienden in aanraking komen. Veel minder vaak dat hun kinderen zelf wel eens foute vrienden konden wezen. Maar zeg nou zelf, wat stelt één pot Nutella voor in een weekend waarin in heel Duitsland liefst 10.000 potten chocopasta werden gestolen? Bovendien drukte Daan tijdens onze nachtelijke wandeling terug naar de camping zelf een tuinkabouter achterover, om hem met zijn op het ogenblik ietwat gebrekkige motoriek op het wegdek aan gruzelementen te gooien. “In ieder geval is het hoofd nog heel,” constateerde Daan beteuterd, waarna Marijn dit tegen de straatstenen smeet. Rudi bleef evenmin heel, en na een dodensprong van een duimhoge stoeprand gooide hij ook zijn halve liter bier nog aan scherven.

Het was kortom geen wandeltocht om trots op te zijn, al was ik wel blij dat ik Daans handdoek in de auto had zien liggen en hem op slot had gedraaid voor meneer er zelf lucht van had gekregen. Bovendien hadden we de plaatselijke hangjongeren mooi te pakken. “Hé, zijn jullie vrienden?” hielden ze ons bij een speeltuintje staande. “ Want dan moeten jullie drinken,” duwde de kortst geschorene ons een fles goedkope wodka onder de neus. Ach, het was half drie ’s nachts en het was niet alsof we iets beters te doen hadden. “Goed,” vond ik, “maar dan moeten jullie dít drinken.” Eén slok palinca later had de hoestende jongen toch liever dat we zo snel mogelijk doorliepen, terug naar onze fris berijpte tenten.

 

Onder het genot van een halve liter witbier konden we elkaar bij het ontbijt even bijpraten over de vorige avond. Het festival was alweer begonnen, maar aan de eerste vier bands misten we weinig. Als we er om half twee maar waren, want dan speelde Under That Spell. Niet Under a Spell of Under the Spell, maar Under THAT Spell. Dat maakte nieuwsgierig, al was de verklaring dat het goed klonk en er verder geen reden was voor juist deze naam een beetje een dooddoener. Deze jongens speelden dan ook black metal. Niet pagan black, depressive black, post-black, Cascadian black of HelCarpathian black metal, nee, gewoon ouderwets black metal. En dat deden ze goed.

Joelend renden Marijn en ik de Stadthalle in, en dat was al meer dan waar meneer na zijn actie van net op had mogen hopen. Na zijn destructieve bui van gisteren was Marijn net door de security betrapt met een mes op zak. “Terug naar buiten,” commandeerde de beveiliging. “Ah nee joh, ik heb dat ding niet nodig,” en met een sierlijke zwaai slingerde Marijn zijn mes richting een vuilcontainer, waar net een meisje langsliep. Er worden mensen om minder van een festival geschopt dan messen tegen hoofden gooien, maar Marijn kwam ermee weg.

We kwamen er ook mee weg dat we zonder uitnodiging bij festivalbaas Ivo Raab binnenvielen. Een nooduitgang door, een meisje van de beveiliging overrompeld, doorlopen naar backstage, aanbellen en de deur binnenglippen zodra er toevallig iemand naar buiten loopt, trap op, deur door en daar stonden we bij Ivo en de zanger van Fjoergyn. “Are you the boss?” vroeg Marijn, Ze waren iets te verrast om te vragen wat we kwamen doen, dus Marijn en ik deden het woord maar. “Dit is een heel toffe cd van Bucovina. Alsjeblieft. Nodig die jongens volgend jaar maar uit.” Ivo stamelde dat hij ernaar zou luisteren, bedankte bescheiden voor onze complimenten over zijn fantastische festival en na het bier hebben horen roepen gingen we er weer vandoor.

We hadden beter nog wat kunnen blijven hangen, want het Noorse In Vain speelde progressive black, zong over emoties, zorgen en dromen en was daarmee een nogal nichterige band. Dat herinnerde ons eraan dat er ook echte mannen op Ragnarök waren: de kerels van Danelag die vol overgave speelden dat ze echte Vikingen waren. Andermaal de security negerend liepen we naar het tentenkamp, waar Marijn het schuim uit zijn legen bierbeker schudde, precies over het eten van de Vikingclub. Na wat boze blikken gedroeg hij zich wat beter en maakten we een praatje met een paar Vikingen. Eén van hen liet graag zijn tattoo van een raaf zien en vertelde dat hij later dit jaar een swastika zou laten zetten. “Dan heb je wel wat uit te leggen,” constateerden wij, maar hij legde graag dingen uit. En ergens snapten we hem ook wel, want wat geeft Hitler het recht zeventig jaar na zijn ontsnapping naar de maan oude symbolen als het swastika en dwepen met Noordse mythologie nog altijd in diskrediet te brengen? Hitler hield potverdrie ook van honden en die kutbeesten zie je ook nog steeds overal.

 

Na wat aanpappen mochten Marijn en ik met een paar kekke Vikinghelmen op de foto, waarna we nog net wat van Maladie (avantgarde black metal) meekregen. Twee zangers te veel naar mijn smaak en niet meer dan een opmaat voor Eïs – hèt optreden van Ragnarök 10 wat mij betreft. De koude, duistere sfeer van Wetterkreuz werd van meet af aan perfect neergezet en de shirts mochten dan ook opnieuw uit. Terwijl er gezongen werd over karige klippen en ondode scheepskapiteins, mocht er lustig met de haren worden gezwierd. We zouden er de demonstraties van Danelag haast door vergeten. Haast. Uit volle borst joelden we onze Viking toe; of die zich nu in een stormloop op de verzamelde tegenstanders stortte, het tegen twee koppen grotere berserkers opnam of zich met slechts een klein schildje ter bescherming aan vijanden met lange bijlen waagde. En wat een teleurstelling, ja haast fysiek voelbare pijn toen onze held dodelijk getroffen neerzeeg.

Na Riger (door Rudi consequent ‘de lokale rechtsradicalen’ genoemd) ging het feest door met Helrunar, nog zo’n fantastische Duitse black metalband na Eïs. Dit jaar deed Ragnarök niet aan blokfluitmetal, maar aan kwaliteitsblack. Maar liefst tien stuks binnen het genre die het beluisteren waard waren deze twee dagen. Voor de volledigheid trad na Helrunar toch een echte heidense band op zoals we die uit de begindagen van het festival kenden – letterlijk: Menhir. Maar daarover heb ik al eens eerder geschreven – al twee keer zelfs. Niet over Nocte Obducta, de enige black metalband die niet zonder ananas op de foto gaat. Dat is helaas het zinnigste wat ik nog over deze band weet te melden.

De jubileumeditie van Ragnarök culmineerde voor ons in de laatste twee bands die we zagen: Solefald en headliner Carpathian Forest. De weer enigszins ontnuchterde Rudi bestempelde het optreden van Solefald tot het beste van dit festival. Ze hadden er inderdaad zin in. Frontman Cornelius von Jackhelln zong het Duitse publiek toe, gekleed in uitdagend Tweede Wereldoorlog uniform waar woestijnvos Rommel trots op zou zijn geweest. Met zijn zandbruine legeroutfit, compleet met ijzeren kruisen op de mouwen, zag hij er patent uit, al gaf hij tegenover Eva en mij na afloop toe wel een beetje nerveus te zijn geweest zich in zo’n fout pak te hijsen. Progressief, vernieuwend en verrassend. Zo kun je Solefald wel typeren. Geen plaat die op de voorganger lijkt en keer op keer vervreemdt de band zich van hordes trouwe fans. Na de twee conceptalbums An Icelandic Odyssey kan de band bij mij niet meer stuk en om mij hierin ruggesteun te geven droeg Von Jackhelln zelfs een gedicht voor tijdens het optreden. Eva kocht de rauwe demo Jernlov, die op de mooie, gelimiteerde uitgave gecomplementeerd werd door drum ‘n’ bass en big beat remixes. Ik bedoel maar.

Ook het publiek ging los bij Solefald en nadat enkele Duitsers onze tepels al hadden bevoeld, viel nu ook het vrouwelijk schoon voor onze shirtloze torso’s. Nou ja, vrouwelijk schoon – een sloerie, volgens Eva, en nadat het meisje haar borsten had laten zien trok Eva me met een ruk naar zich toe. Teleurgesteld bekende Gijs dat hij de show gemist had, maar we waren voorlopig nog niet van de sloerie af. Ze wilde weten of we in een band zaten. “Nee, het enige wat wij kunnen is onze shirts uittrekken,” antwoordde ik eerlijk. “Maar daar zijn jullie wel erg goed in,” fluisterde ze in mijn oor.

Voor fluisteren was het nu de tijd niet, want Carpathian Forest stond klaar om ons mee te voeren naar de diepste afgronden van de hel. Zanger Nattefrost stond vandaag helaas niet in bloemetjesjurk op het podium en urineerde evenmin over zijn publiek, maar de leren broek die zes jaar geleden al wat aan de strakke kant was en de halflege fles Jack Daniels in zijn hand deden vermoeden dat deze band er niet veel professioneler op was geworden. “The next song is called… Morbid Fascination of… my anus!” brulde Nattefrost in de microfoon. “Boy where they drunk,” werd er na afloop verzucht. Toch, zelfs Nelleke leek dit leuk te vinden en Marijn en ik spoedden ons nog even helemaal naar voren bij slotnummer He’s Turning Blue om uit ons dak te gaan bij de suïcidale black metal van deze Noren. He hung himself in the middle of the night / And nobody cares! Heerlijke teksten en een nietsontziende agressie. Goedgeluimd maakten we Daan wakker om hem te vertellen dat we Vreid en Secrets of the Moon oversloegen en naar de camping zouden lopen. “En Carpathian Forest dan?” wilde Daan weten. “Die zijn al klaar!” En dat was het leukste weekend van het jaar ook.

Eraserhead
Manta - Der Film

2 Comments

  1. Ow ja, die telefoon, die je op de grond had laten vallen en niet meer zo goed in elkaar geklikt kreeg, om vervolgens totaal te vergeten dat ik hem voor je in elkaar aan het zetten was. Toen ik hem teruggaf heb je me ook nog een half uur Rudolf genoemd. 🙂 Ja, het was weer een Festival met een hoofdletter F.

  2. Bravo! Heb er hard om gelachen 🙂

    Ik kijk dan ook uit naar de aanvullingen op dit relaas:

    Nou, vond ik niet ergens tussen Heretoir en de camping of de laffe wodka drinkende tienerpunkers mijn telefoon terug in de uitgestoken hand van Gijs? Best een saillant detail, althans, voor mij wel.

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*