Westwaarts

Twee weken. Zo lang wachten vrachtwagenchauffeurs gemiddeld voor de Russisch – Georgische grensovergang. Het is een wreed en voor velen onzichtbaar gevolg van de gebrouilleerde relatie tussen twee buurlanden die sinds 2008 op voet van oorlog met elkaar staan. Wit-Rusland, Tadzjikistan, Moldavië – nagenoeg elke voormalige Sovjetrepubliek is vertegenwoordigd in de 11,5 kilometer lange rij voor de controlepost in Verkhny Lars. “Als hun papieren in orde zijn, hebben we een kwartier per vrachtauto nodig,” vertrouwt een douanier ons toe. Maar vaak wordt er wel iets gevonden waardoor het bureaucratisch proces langer in beslag neemt, hier in deze prachtige fuik waar de Terek zich tussen de steile bergmuren van de Darialkloof wringt.

“Is de grens dan geopend voor buitenlanders?” Het is een vraag die ons meermaals is gesteld in de Noordelijke Kaukasus. De FSB neemt ons mee naar een kamertje voor een verhoor. Hoewel ik de toon niet direct vriendelijk zou noemen, mogen we na twee uur Georgië binnen. Hier geen gebrek aan toeristische infrastructuur: binnen een half uur hebben we geld gewisseld, is onze auto verzekerd en heb ik een Georgische simkaart. Voor het eerst in weken zien we andere toeristen: groepen backpackers, mannen in korte broek, mannen met lang haar, gezinnen met kleine kinderen in baby carriers. De vele terrassen en restaurants in Stepantsminda zijn afgeladen vol. Wat een cultuurshock. “Zullen we omkeren en anderhalve dag in de rij gaan staan, terug naar het noorden?” vraagt Eva in een aanval van opborrelende paniek.

Twaalf jaar geleden vonden we met moeite een homestay in Stepantsminda. Nu telt het dorpje meer dan honderd overnachtingsmogelijkheden. De online reviews die we vinden bieden uitkomst: in de hoop de drukte te ontlopen kiezen we voor een camping met een bedroevend lage rating. “Twaalf jaar geleden liepen hier alleen koeien en schapen rond,” bromt de campingbaas. “Die zijn allemaal verkocht. Van het geld hebben ze hotels gebouwd.” Hij draait aan de peertjes die de buitenverlichting vormen en krijgt er twee van de drie weer aan de praat. “Maar dit jaar komen er weinig toeristen naar Stepantsminda.”

We rijden in optocht verder naar het zuiden over de Military Highway. Overal zien we hotels, kraampjes met wollen papakha’s en toeristen die poseren voor selfies. Lang geleden ontbraken alle drie en zag ik vanuit onze marshrutka het Russisch – Georgisch Vriendschapsmonument. Onze marshrutka stopte niet. Ik had me de herkansing anders voorgesteld: honderden toeristen en tal van paragliders zwermen rond het overgerestaureerde monument. Kraampjes met dure snacks en Chinese souvenirs versperren de doorgang. Ik had het beter nog twaalf jaar kunnen laten knagen.

De weg verlaat de bergen en buigt af naar het westen, pal langs de grens met Zuid-Ossetië – niet meer dan een steenworp verderop, maar onbereikbaar. Na kuuroord Borjomi wordt het verkeer rustiger. Het kan nog steeds, Georgië zonder hordes toeristen. Onder de kasteelruïnes van Atskuri proberen Ilva en Rune kikkers, krabben en slangen te vangen in ondiepe poelen bij de rivier. Daarna zijn we te gast in Akhaltsikhe. ‘s Nachts is het kasteel boven de stad nog mooier dan overdag – en valt ook minder op hoe gekunsteld het hele complex eigenlijk is. Het is fijn om Dali weer te zien. “Drie jaar geleden waren jullie mijn eerste gasten,” lacht ze. “Nu zijn jullie vrienden!” We hadden het al afgeleid uit de overvolle tafel. Georgië mag dan geen geheim meer zijn voor toeristen; de Georgische keuken blijft ongeëvenaard.

Het is niet ver naar de Turkse grens. “Hebben jullie dieren bij je? Een hond of een kat?” vraagt de Georgische douanier aan Ilva en Rune. Braaf schudden ze hun hoofd. “Een krokodil dan? Of een leeuw? Nee? Goeie reis!” Ook zijn Turkse collega’s hebben niet veel zin om te werken en na een vluchtige blik op onze bagage krijgen we een stempel in ons paspoort. De slagboom gaat open en we klimmen naar een kale hoogvlakte met bergpassen boven de 2500 meter. Daarachter liggen de Georgische valleien van Noordoost-Turkije, met hun groene bergen vol zilversparren. We kamperen bij een oude boogbrug over een bergriviertje.

Met de Pontische Alpen aan de ene kant en het glinsterende water van de Zwarte Zee aan de andere reizen we verder westwaarts. Vanaf Trabzon rijden we de Altınderevallei in. Het uitzicht op het tegen verticale rotswanden geplakte Sümelaklooster delen we met duizenden Turkse toeristen. De wereldberoemde fresco’s binnenin de 13e-eeuwse rotskerk hoeven we met niemand te delen: na vier jaar om veiligheidsredenen gesloten te zijn geweest wegens vallende rotsblokken, is Sümela nu gesloten omdat het klooster gerenoveerd wordt. Verder dan de in de steigers staande façade komen we niet.

Langzaam gaat het grillige en beboste berglandschap over in de droge hoogvlakte van Centraal-Anatolië. Uren rijden we door uitgestrekte leegte, op weg naar de Seltsjoekmonumenten van Sivas. Op beschutte terrasjes binnen de muren van de 13e-eeuwse Şifaiye en Buruciye madrassa’s vindt alleen de overuren draaiende ijsverkoper geen verkoeling. De blauw geglazuurde tegeltjes van de Gökmedrese, waar een voorbijganger ons op Turks fruit trakteert, hebben we voor ons alleen: de zonovergoten straten buiten het centrum zijn nagenoeg uitgestorven.

Die vlieger gaat niet op voor Ankara. Toen het in 1923 de hoofdstad van Turkije werd, gingen planologen ervan uit dat de stad ruimte moest bieden aan 500.000 inwoners. Krap honderd jaar later wonen er ruim vijf miljoen mensen in Ankara. Toegestroomde gelukszoekers uit Anatolische dorpen bouwden in ijltempo gecekondular: wie in één nacht een huis wist te bouwen, mocht daar volgens een maas in de wet blijven wonen. Toch staan er hele torenflats leeg en in de wijk van onze vrienden is goed zichtbaar dat Ankara een geplande stad is: de appartementen zijn er immens en mede door supermarkten die met whisky en varkensvlees duidelijk voor expats cateren, is het contrast met de sloppenwijken rond het middeleeuwse kasteel groot.

Verrassend genoeg bevalt Ankara ons wel. Vanaf de kasteeltorens kijken we uit over een zee van oranjerode daken, moderne flats, houten Ottomaanse konaks en golfplaten gecekondular. Het middaggebed weergalmt tussen de heuvels waarop de stad is gebouwd. En naast het kasteel en het Museum van Anatolische Beschavingen telt Ankara eigenlijk maar één echte bezienswaardigheid. Het Anıtkabir, het mausoleum van Mustafa Kemal Atatürk, stamt duidelijk uit de periode waarin Turkije nog met het fascisme dweepte. De stichter van de Turkse Republiek wordt vereerd met strakke zuilengalerijen en een enorm plein. Tegenwoordig loopt religieus conservatief Turkije weg met de man die baarden verbood en vocht voor een breuk met het Ottomaanse verleden. Ook van ons geen slecht woord over de beste man: dankzij zijn modernisering van de Turkse staat én het overzichtelijke lijstje attracties van zijn hoofdstad hebben we de rest van de dag om met onze vrienden aan het bier te gaan.

Het is nog één lange dag rijden naar Europa. We hebben de onberekenbare Noordelijke Kaukasus zonder kleerscheuren overleefd, maar dat kunnen we van onze bus niet zeggen. Al sinds Dagestan rammelt er iets – terug in Nederland constateert onze garagehouder tot zijn schrik dat de motorsteun totaal verbogen is – en in de linkervoorband zitten gaten tot op het canvas. In de Ottomaanse Zijderoutestad Beypazarı vervangen we de afgetrapte band met het reservewiel. We worden meteen aangesproken door Zafer, de directeur van het plaatselijke VVV. Hij nodigt ons uit op de thee en geeft een voorraad koekjes en Beypazarı-citroenlimonade mee voor onderweg. “Als ik in Nederland ooit iemand uit Turkije tegenkom, dan doe ik mijn duim omhoog,” zegt Rune met een mond vol koek. “Iedereen is hier heel erg lief.”

Het is goed dat we niet de meest directe route naar İstanbul hebben genomen. De bergen achter de meren van het Davutoğlan natuurreservaat lijken met hun groene, gele en rode banen wel zuurstokken. Maar de echte reden voor deze omweg is Burj al Babas, een spookdorp met 587 identieke gotische kasteeltjes in authentieke Disneystijl. Speelse torenspitsen lopen in parallelle lijnen tot de horizon. De bouwgigant achter het dystopische vakantieparadijs is al lang failliet en op een enkele bewaker na is Burj al Babas uitgestorven. In plaats van ons weg te sturen belt hij zijn collega, Yasin. Die geeft ons zowaar een rondleiding in twee kasteeltjes die bijna af zijn. Om de ervaring nog een tikje onwerkelijker te maken, laat Yasin zijn tamme duif salto’s maken. De werkdruk van bewakers valt hier blijkbaar wel mee.

Aan de overkant van de Bosporus wacht ons geliefde İstanbul, met zijn betoverende Byzantijnse en Ottomaanse erfenis en zijn overdosis aan cultuur. Hier, op dit kruispunt van werelddelen, zijn we halverwege onze terugreis. Ilva weet nog precies waar ze drie jaar geleden in de wijk Galata poezen aaide en loopt vrolijk met Rune door de kronkelende straatjes. En waar het noodweer in İstanbul losbreekt en winkeliers wanhopig dweilen en hozen om het water buiten de deur te houden, is het op de Prinseneilanden stralend weer. “Ten minutes, photo-picture, let’s go!” Bootladingen toeristen worden per paardenkoets over Büyükada vervoerd. Door de feytons die over de slingerende wegen snellen is fietsen voor kinderen onverantwoord (en verboden), maar met Ilva en Rune achterop trappen we het hele eiland rond. De zuidelijke helft is heerlijk rustig, met gezang van cicaden en uitzicht op het gladde oppervlak van de Zee van Marmara. Het lijkt net een Grieks eiland, maar dan met meer afval.

Vanaf İstanbul is het een kleine drie uur naar de grens met de EU. Voor ons gevoel zijn we bijna thuis. Nog een kleine 2800 kilometer – meer niet. In vijf dagen rijden we langs vrienden in Bulgarije en Servië, alsmaar verder westwaarts. Over asfalt dat zo vlak is dat onze bus niet eens aan rammelen toekomt.

Zuid-Ossetië

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*