Whisky Shores

“I’ve seen ships in bottles, but never with people in them. I love it!” De Schotten op de boot naar Islay waren net zo enthousiast over whisky als wij. Op een paar bolletjes Irn Bru (‘Scotland’s other national drink) ijs in Tarbert na had het uur tijdwinst ons weinig opgeleverd, maar nu waren we dan toch op weg naar Islay. De heilige graal op Schots whiskygebied – alleen een stuk eenvoudiger te vinden. Met acht destilleerderijen op één eiland kon je hier geen vijf minuten rijden zonder ergens een whiskystokerij op de borden te zien. Caol Ila en Bunnahabhain hadden we al gespot voor we aan een boer vroegen waar we hier onze tent op konden zetten. Niet bij hem, want hij had koeien: “They are very inquisitive.” Maar verderop moest het lukken. Het mooie aan Schotland is dat je overal mag wildkamperen, zolang het maar geen tuin of afgerasterd land is. Het vervelende aan Schotland is dat je, waar je je tent ook besluit neer te zetten, wolken midges inademt zodra je de eerste haring de grond in drukt.

Met longen vol knutjes en ongewassen haren waar deze irritante beestjes maar niet uit wilden was het moeilijk van onze prachtige wildkampeerplek te genieten. Loch Ardnahoe glinsterde aan de ene kant in de laatste zonnestralen; de Paps of Jura staken aan de overkant boven de Sound of Islay uit. Vooral de Paps (Oud-Noors voor tetten) boden een fraaie aanblik, maar zelfs ons kampvuur wist de knutjes niet te verjagen. Gelukkig was er Machrie Moor, de meest rokerige whisky van Arran, vernoemd naar de bloeddorstige hond Bran van de legendarische krijger Fingal. Ik heb een hekel aan honden, maar ik hou wel van whisky. Het smaakte een stuk beter dan de veertien jaar oude Arran, maar het miste wat ons betreft de complexiteit en het overdonderende smaakpalet van de whisky’s van Islay en mocht daarom niet meer dan een opmaat vormen voor waarop we ons de komende dagen zo verheugden.

Tijd voor wat lagevoel (JS)

Ooit waren we van plan onze whiskytour puur op Islay te concentreren, tot we hoorden dat een nieuwe destilleerderij in Kilchoman een streep door het magische getal zeven zette. Ze alle acht bezoeken leek ons weinig meerwaarde opleveren en op verzoek van sponsoren reden wij in alle vroegte naar Laphroaig. Omdat we nog best tijd hadden voor een kleine detour begonnen we bij Lagavulin. Het verhaal dat bij deze destilleerderij hoort kan Jaap beter vertellen dan ik het op kan schrijven, maar het bijpassende gevoel hing hier in de lucht. Een sigaretrokende Schot op de parkeerplaats raadde Daan, Gijs en mij aan Jaaps whisky voor hem op te drinken en koesterde warme herinneringen aan ons mooie land. Ja, de Wallen! Daar waren de rondleidingen nog mooier dan hier bij Lagavulin. De Grand Tour had hij gekregen! Zijn vrouw naast hem knikte braaf.

Met £ 60 vonden wij een fles Lagavulin Distillers Edition een tikje aan de prijs, maar Daan toonde zich vanochtend de meest impulsieve van ons vieren. “Tsja, ten gevolge van Schotse wetgeving mag ik geen alcohol verkopen voor tien uur ’s ochtends,” stelde het meisje achter de kassa ons teleur. “Wat ik wel mag is jullie iets te drinken aanbieden. Lopen jullie mee?” We werden naar een oubollig ingerichte kamer met maritiem georiënteerde schilderijtjes, kachel, barometers en luie zetels geleid. “Wat kan ik jullie inschenken?” vroeg de Schotse. Nou, de twaalf jaar oude cask-strength Lagavulin Limited Edition leek ons wel wat. Wat een bof dat Jaap zo sportief had gereden vanochtend, want bij dit godenvocht verbleekte de Arran Machrie Moor van gisteren.

Voor het mooiste uitzicht op de destilleerderij met zijn karakteristieke stooktorens en hagelwitte pakhuizen aan de baai konden we het best naar Dunnyveag Castle lopen. “Ga maar snel jongens, voor het te heet wordt,” zei de Schotse vlak na tienen. Dit weer waren ze hier niet gewend. Vanaf de brokstukken van de kasteelruïne roken we het zeewier en de verrottingsstank van de getijdenpoelen onder ons, maar de aanblik van de Lagavulin destilleerderij in het felle zonlicht en weerspiegeld in het kalme water, was genoeg om de grootspraak in Arran naar de prullenbak te verwijzen.

Picture perfect Lagavulin (JS)

Het was een goeie dag om niet te hoeven rijden, want op een steenworp van Lagavulin parkeerden we voor de deuren van Laphroaig. De jongens van deze destilleerderij hadden het begrepen: een rokerige turfwhisky waar we Nick en Willem, een paar van onze meest enthousiaste sponsoren blij mee wilden maken, zeven (7!) stills en, bovenal, fratsen. Iedereen die een fles Laphroaig koopt (doen!) kan namelijk lid worden van de Friends of Laphroaig. Waarom je dat zou doen? Omdat je dan een vierkante voet drassig veenland tegenover de destilleerderij je eigen grond mag noemen. Maar wacht, er is meer! Als je je eigen stuk grond komt bezoeken krijg je de jaarlijkse rente in flesvorm aangeboden. In ons geval een klein flesje tien jaar oude cask-strength. Verder krijg je rubberlaarzen, een plattegrond (X marks the spot), een certificaat en mag je een vlaggetje van jouw land uitkiezen of er zelf één inkleuren. De laarzen mag je niet houden.

Nu hadden Daan, Gijs en ik al ooit een stukje Schots grondgebied geclaimd – net als Stijn. Stijn sponsorde ons in ruil voor een foto van ons alle vier op zijn vierkante voet Laphroaig. Met vier certificaten en vier Jannis de Hullu Tourvlaggetjes op zak sopten we met onze rubberlaarzen tussen talloze Britse, Schotse en Russische vlaggetjes door, op zoek naar Stijns landje. Onze omgekeerde menselijke piramide met Daan als basis kon op veel getoeter van langsrijdend verkeer rekenen. Ook als je (nog) geen vriend van Laphroaig bent is er reden genoeg de destilleerderij te bezoeken. Nadat ik nogal knullig mijn knie openhaalde door voor de pakhuizen onderuit te gaan stonden de bloedverdunners binnen al klaar. “Care for a dram, lads?” Over een gratis refill werd niet moeilijk gedaan, zodat we voor de tweede keer deze ochtend met een glas whisky in comfortabele zetels zaten. Nu mochten we met de achttien jaar oude Laphroaig en de Laphroaig Triple Wood loungen.

Geen betere manier om je dag te beginnen dan met een whisky of drie. Met de raampjes open (het was wederom stralend weer, al werd het met ons laatste douchebezoek niet meer dan een vage herinnering zo langzamerhand ook bittere noodzaak) zwaaiden we vrolijk naar een Schot die aan de verkeerde kant van de weg reed en schaapachtig teruglachte. Over het platte Islay reden we langs diepe voren in het landschap waar nog volop turf werd gestoken naar Port Askaig. Hiervandaan vertrok het veerbootje naar Feolin op Jura. Afgeleid van het Oud-Noorse woord voor herten (daar hadden ze er een slordige 5000 van) was dit eiland niet erg dichtbevolkt met 188 inwoners verspreid over een oppervlakte van 367 km². En toch hadden ze hier een eigen destilleerderij. Tien minuten voor de geplande afvaart vond men dat de Eilean Dhiura vol genoeg was – de vertrektijden voor deze overtocht werden sowieso meer als richtlijnen beschouwd.

Deze jongens hebben het begrepen (JS)

Met de Paps in het zonnetje reden we over tal van wildroosters naar het dorpje Craighouse. Op het grasveld van het Jura Hotel mochten we pal tegenover de destilleerderij kamperen. Zonder toilet, zonder douche en zonder te betalen. Douchen begon whisky drinken stilaan te verdringen uit onze dagdromen. Zouden de putjes verstopt raken? Zo voelde het wel, speculeerden we terwijl we onder de palmbomen in het gras lagen. Tsja, niemand had beweerd dat het makkelijk zou worden deze Tour. Er was bovendien werk aan de winkel. Na een biertje op het terras was het bordje ‘Ben zo terug’ uit de etalage van de destilleerderijwinkel verwijderd. Hier verkochten ze de beste whisky van Schotland – volgens de eilandbewoners althans – en “200 Schotten kunnen toch onmogelijk ongelijk hebben,” redeneerde Joost. Voor de zestien jaar oude Jura telde hij graag een hele smak geld neer.

“Laffe toelie,” volgens Daan, Gijs en Jaap. Het is niet alsof ze het niet probeerden: zowel de tien jaar oude Jura Origin, de Jura Superstition, het twaalf jaar oude Jura Elixer, de Jura Prophecy en de zestien jaar oude Diurach’s Own werden aan een onderzoek onderworpen. Ik had een goede middag gekozen om Bob te zijn, al mocht ons sponsorplan in de overvolle winkel op veel respons en hier en daar een uitroep van verbazing rekenen. Met onze flessen voor Peter en Dinie, Sjef en Ine, Joost en Robert stapten we het felle zonlicht weer in. “Hebben jullie samen een whiskywinkel?” vroeg een Engelsman ons. Blijkbaar kwamen we toch op iemand serieus over – en dat terwijl we niet eens stickers hadden, zoals de vier Tsjechen. Dat moet volgend jaar anders. Whisky kopen had voor deze man absoluut geen zin. David had voldoende in huis om hem in te conserveren. “Het zou erg leuk zijn dat in je testament op te nemen,” vond ik. David was meteen enthousiast: “But absolutely no blending!” Het zou aardig zijn eens na te denken welk lichaamsdeel in welke whisky bewaard moest blijven. Sterker nog, hij ging thuis gelijk een lijst opstellen! Zijn dochter trok een gezicht alsof ze deze man al langer kende dan vandaag.

We hadden ons er al bij neergelegd dat we Corryvreckan, ook bekend als de dodelijkste plek op aarde, niet meer zouden halen. De maalstroom tussen Jura en Scarba zou je zonder pardon 219 meter de diepte in zuigen als je zo stom was je neus erin te steken (dit is getest), maar was hooguit een half uurtje per dag interessant. Getijde en tijdstip waren ons ongunstig gezind, maar dat nam niet weg dat een ritje naar het noorden van het eiland veel te bieden had. Voor de kust zagen we zonnebadende zeehonden en een zeeotter en naast fazanten zagen we een keur aan vogeltjes onze grill invliegen. Ook de herten bleven niet uit, al joegen we de exemplaren waar David toevallig net met zijn dochter Saskia en haar vriend Ryan naar stond te kijken per ongeluk weg. “Het zou fantastisch zijn jullie een paar dagen te volgen,” moest David nog kwijt voor we doorreden naar Ardlussa en Lealt.

One square foot is all you need (JS)

De uitlaat had op de steeds beroerder wordende wegen moeite het asfalt of de plaatsvervangers daarvan niet aan te tikken. Dit troosteloze, verlaten landschap was waar George Orwell 1984 schreef en erg veel om vrolijk van te worden had je hier inderdaad niet. Nou ja, we hadden een fles Laphroaig, een desolate kustlijn die we met niemand hoefden te delen en veel te weinig tijd voor dit bijzondere eiland. Zouden we er nog eens terug moeten komen, net als David? ’s Avonds kwam hij bij ons zitten in de kroeg van het Jura Hotel, ook al was hij van plan geweest de laatste veerboot naar Islay te nemen. Maar ja, de ferrymaatschappij die tussen beide eilanden pendelde was als enige in West-Schotland onafhankelijk en hanteerde eerder richtlijnen dan vaste vertrektijden. “We waren er verdorie al een uur voor vertrek!” mopperde David.

“Unsafe to pass,” beweerden ze. Er was geen mist en de overkant was gewoon zichtbaar, maar het kan natuurlijk best zo wezen als de kapitein een stuk in zijn kraag gezopen heeft. Bovendien had de ferrymaatschappij in haar licentiecontract staan dat ze alleen hoefden te varen als ze er zin in hadden. Het was niet alsof dit een op zichzelf staand incident was, vulde Saskia aan. Vorig jaar was er een festival op Jura georganiseerd en zou de veerboot ook ’s avonds varen. Maar de passagiers, gehandicapten incluis, mochten op de kade blijven staan. Toch hield David van Jura en Islay en bleef hij er terugkomen. “Waarom dan?” wilde Daan weten. “Because we can’t get off the bloody ferry!” riep David uit. Ach ja, nu hij de nacht toch op Jura door moest brengen wilde hij wel wat meer weten over ons sponsorplan. “Brilliant!” vond David de schunnige teksten in het Gaelic. “You’re mad!” riep hij uit over de uitvoerige administratie van sponsoren en bruto- en nettobedragen. “Hier is £ 20,” besloot David, bij wie we niet meer stuk konden. Zelfs niet toen Jaap graag met hem deelde dat hij had nagedacht over het conserveren van lichaamsdelen in whisky. “Mijn penis zou ik in Laproaig Triple Wood bewaren!” riep hij enthousiast door de bar, waarna het even duurde voor het gesprek weer op gang kwam.

Na een paar ales en Jura Prophecy’s begonnen Saskia en Ryan zich toch wel zorgen te maken over waar ze vannacht zouden slapen. De zestien kamers van het hotel en het enige bed and breakfast waren volgeboekt. “Jullie mogen wel in mijn tent slapen,” stelde Daan voor. “Ik slaap wel in de voortent bij de rest. David kan er ook wel bij.” Gezellig, maar David hoefde alleen in onze voortent voor een paar glazen whisky; slapen deed hij wel in de auto. Saskia en Ryan keken zoals het echte Londenaren betaamt met frisse tegenzin uit naar het kampeeravontuur, maar hun opties waren beperkt. “When it’s third and ten, I’ll take the whisky drinkers over the milk drinkers any time,” zei American footballverslaggever Max McGee over kritieke situaties. Wij waren wat blij dat we bij David zaten – die dronk tenminste mee. We hadden extreem veel geluk, volgens David. Normaal gesproken waren de midges veel erger deze tijd van het jaar en na een paar Jura Prophecy’s, een Arran Machrie Moor en een tien jaar oude Laphroaig moesten we toegeven dat we er eigenlijk helemaal niet zoveel last van hadden. En dan het weer. “Exceptional!”riep David uit. Hij kwam elk jaar op deze eilanden en het was hier nog nooit, nee nog nooit zulk mooi weer geweest. “Fiepkegeluk,” meende Gijs.

Weer aan het werk (JS)

Nog gelukkiger waren we met het feit dat de veerboot David in de kou had laten staan. David was prima gezelschap, zoals hij over whisky praatte of over arrestaties in het verleden. Waarom hij steeds werd opgepakt begreep hij echt niet. “It’s unfair and I’m still very upset about it!” De volgende ochtend wilde hij bij de veerboot dan ook niet te veel stennis schoppen, al wilde hij nog zo graag verhaal halen. “We might get arrested…” Wel had hij een medestander gevonden. Een uiterst beschaafde Brit waarvan we de indruk kregen dat ie je hele leven totaal kapot kon maken als hij daar de noodzaak van inzag. “Ah, these are the boys you were talking about!” De beste man kreeg Hotel California na gisterenavond niet meer uit zijn hoofd. Dit kon de hemel of de hel zijn, een plaats die je nooit meer kon verlaten. Ik hoopte dat wij de pretty, pretty boys uit het nummer waren, maar de inwendig kokende doch beheerst ogende man ging al verder: “This will be taken to the highest political circles. Ears have to be cut off! At the very least we will inconvenience someone.”

Er kon nog geen verontschuldiging vanaf bij de kapitein, die opnieuw vijf minuten te vroeg vertrok en een aanscheurende auto op Jura achterliet. Naar onze koffie in Port Askaig Hotel leken we ook te kunnen fluiten. Of zou de Slowaakse serveerster ons niet willen laten vertrekken uit dit hotel? Ze wou graag shirts met ons ruilen en hoewel we haar best haar shirt uit wilden zien trekken (in het land der blinden is eenoog koning) moesten onze Jannis de Hullu Tourshirts nog een hele tijd mee. En nodig gewassen worden. We zaten hier in ieder geval beter dan de Nieuw-Zeelandse jongen gisteren die ons nu gezelschap hield. Toen we hem in de kroeg op Jura ingesloten tussen vier Schotse walvissen zagen zitten dachten we nerveus terug aan Gedinne, waar we door dronken Waalse vrouwen werden belaagd. De Nieuw-Zeelander mocht bij ze douchen – heerlijk, na weken met een emmer water rondrennen temidden van wolken knutjes – en kreeg eten en drinken van ze. “Then they were getting a little too frisky,” moest de jongen zijn verhaal bij ons kwijt.

Met zichtbaar plezier liet de kapitein de misthoorn vlak boven onze hoofden een ietwat overdreven lijkende vijftien keer door de ochtendmist schallen, terwijl de Caol Ila distilleerderij voor onze suizende oren voorbij gleed. De veerdienst tussen Islay en Oban voer slechts één keer per week, maar gelukkig wel net op de dag die ons perfect uitkwam. Na een tussenstop op Colonsay voeren we na weer eens vier van de 48 uur zuivere vaartijd over de Firth of Lorn de haven van Oban binnen. McCaig’s Tower torende als een tweederangs Colosseum boven het stadje uit. Al herinnerden Gijs en ik ons nauwelijks iets van Oban, dit was wel een beetje het Schotland waar we voor vreesden: stervensdruk, een whiskywinkel die ons niet kon bekoren en ze vertikten het bij de drogist om ons een middel tegen knutjes te verkopen. “There is nothing that works against midges!” Ons achtste boottochtje bracht ons gelukkig snel naar Craignure op Mull, waar de receptionist van de camping zowaar een nóg viezer shirt droeg dan wij. Met douches, een fles tien jaar oude Laphroaig, Terror of Tobermory bier (vernoemd naar een meedogenloze man die de Britten met controversiële methoden voorbereidde op onderzeebootgevechten – maar hé, het was geen Duitser dus ’t is goed) en chips met haggissmaak konden wij ons geen betere plek wensen.

Kliffen op Mull (JS)

Over single track roads reden we door het bergachtige binnenland van Mull naar het zuiden van het eiland om vanaf Carsaig Pier naar de Carsaig Arches te lopen. Het was druk aan de baai, waar de opnames voor de dramafilm The Silent Storm in volle gang waren. Zonder shirt lopen was er ondanks de hitte vandaag niet bij, want het wemelde van de dazen in het drassige veenland achter het strand. Langs steile kliffen met hier en daar een adder, wilde geit, waterval en grot met bijbehorende grottekeningen kwamen we zwetend van de zware tocht bij de Carsaig Arches aan. Basaltkolommen vormden een enorme tunnel, maar de nog spectaculairdere tweede boog werd vanaf hier nog aan het zocht onttrokken.

Het werd aangeraden de tweede boog alleen op te zoeken wanneer je geen hoogtevrees had en veel ervaring in de bergen. En dan nog alleen bij goed weer – uiterste voorzichtigheid was geboden. “Any slip would be fatal so only tackle this route if very confident,” las ik voor uit de routebeschrijving. “Veel plezier jongens,” concludeerde Gijs, waarna Daan, Jaap en ik elkaar naar het juiste schapenpaadje boven de kliffen duwden. De adrenaline gierde in ons lichaam nadat slechts enkele weerbarstige grashalmen ons voor een duik in de diepte behoedden, maar de adembenemende rotsboog achter de volgende bocht maakte het alle inspanningen meer dan waard. Jammer dat we er zonder Gijs geen fatsoenlijke foto’s aan over hebben gehouden.

De Carsaig Arches waren een stuk lastiger te bereiken dan we hadden gehoopt en het zou nu een hele toer worden om nog op tijd te komen voor onze afspraak in Tobermory. Een whiskyvakantie, daar hadden we wel oren naar, maar één rondleiding leek ons ruim voldoende. Er werd vast overal hetzelfde verteld. Tobermory was een kleine distilleerderij zonder pakhuizen en verontschuldigde zich bij voorbaat voor een wat korte rondleiding. Perfect voor ons. Als een malle scheurden we over de single tracks om de door ons gereserveerde rondleiding van vier uur ’s middags – de laatste die dag – toch nog te halen. Zigzaggend tussen willekeurig overstekende schapen en met ons eigen frisse lucht verspreidende schaapje woest bungelend aan de achteruitkijkspiegel konden we toch niet voorkomen dat we een kwartier te laat voor de destilleerderij parkeerden. Daan en Gijs renden naar binnen, maar de tour was al begonnen.

Evenwicht bewaren boven de Carsaig Arches (JS)

Toen Jaap en ik even later binnenstapten had Alison toch wel medelijden met ons. Wat ze kon doen was ons de film van de destilleerderij laten zien. “Het is geen tour, maar toch iets. Hier is een fles whisky- help yourself!” We keken gelijk al een beetje minder sip. Alison schonk de tien jaar oude Tobermory bepaald niet zuinig in en toen Daan even later de inhoud van zijn glas over de drie andere verdeelde moesten we stevig doordrinken voor Alison het tijd vond om ons de vijftien jaar oude Tobermory te laten proeven. In de film vertelde echtgenoot en manager Graham over het kleine familiebedrijfje. “Moet je hem nou houterig zien vertellen,” mopperde zijn vrouw. “Ze hadden die vent vooraf vol moeten gieten met whisky.” De film was allang afgelopen toen we eindelijk aan de tien jaar oude Ledaig (spreek uit Lietsjik) toe kwamen. Onze glazen werden omgespoeld voor de derde bel whisky toen Graham bij ons kwam zitten. In het echt was ie een stuk minder houterig.

Graham stond ervan te kijken dat Gijs, Jaap en ik de Ledaig al kenden. Een straffe, rokerige whisky die we voor vertrek dronken bij het kijken van The Angel’s Share (over vier kansarme jongeren die, in een poging hun leven op de rails te krijgen, op whiskytour naar Schotland gaan). De manager van Tobermory had er moeite mee dat whisky tegenwoordig big business was. Door alle investeerders moest hij verdorie nu al weten wat hij over tien, vijftien jaar zou doen. “Nou, wat doe je dan?” wilde ik weten. “Hopelijk op de Bahamas zitten met een groot glas rum in mijn hand,” antwoordde Graham. “Rum?! Niet whisky?” vroeg Jaap. “Wat kan mij het schelen!” riep Graham uit. Wij hadden door onze investeerders ook heel wat administratie deze Tour, maar de manager was gecharmeerd van ons plan, waar we niet veel later mee hadden moeten komen. “Op Barra wordt op dit moment een destilleerderij opgericht,” wist Graham. Hij stelde voor ons een privé-rondleiding door de destilleerderij te geven. “Neem jullie glazen maar mee, jongens!”

“Heeft iemand jou wel eens verteld dat je verrekt veel geluk hebt?” wilde Gijs weten. Te vroeg bij Lagavulin, te laat bij Tobermory en overal waren we precies op het juiste tijdstip in deze week dat het stralende weer in Schotland alle records verbrak. Graham liet ons in de beslagkuipen kijken, liet ons het gistende mengsel in de washbacks ruiken, legde uit hoe de spirit safe werkte en leidde ons langs de koperen stills. Net als in The Angel’s Share, deels opgenomen in destilleerderij Deanston van dezelfde eigenaar, had Graham hier een paar dure vaten achter slot en grendel liggen. Niet veel – de meeste whisky lag in vaten bij Deanston op het vasteland te rijpen – maar de veertig jaar oude Tobermory kwam hopelijk in september op de markt en moest £ 1.500 per fles gaan kosten. “Dit vat is dus £ 1,2 miljoen waard,” rekende Graham ons voor. Zijn kantoor bevond zich recht boven de opslagruimte; met het oog op de angel’s share (de ongeveer twee procent alcohol die whisky jaarlijks verliest doordat het hout van de vaten poreus is) lang geen gekke plaats.

De winkel bij de destilleerderij was al lang en breed gesloten na onze gratis tour, maar Graham deed hem graag nog even open. De twaalf glazen whisky, de rondleiding – Alison en Graham vonden dat ze ons nog wel wat meer konden sponsoren en gaven ons £ 3 korting per fles. Nog een meevaller, aangezien we hier voor onze sponsors Bram, Martijn en Willie wat kochten, naast zes flessen voor eigen gebruik. “Je hebt een slechte dag gekozen om niet te drinken,” lachte Graham toen we vertelden dat het gisteren Daans verjaardag was en dat hij dus nog lang niet jarig was. Met Daan en zijn verjaardagscadeau (een geruite Schotse pet waardoor hij amper van de lokale bevolking te onderscheiden was) achter het stuur zongen we uit volle borst We Are Sons of Odin van Manowar mee, onszelf nog maar een glaasje whisky inschenkend. Daan reed naar Calgary (Calgary in Schotland) waar we vlak voor zonsondergang vanaf het krijtwitte strand het heldere water van de Atlantische Oceaan inrenden. De laatste drie eilanden zouden er nog een zware dobber aan hebben om het plezier dat we op de whisky shores van Islay, Jura en Mull hadden te evenaren.

Never meet your heroes
Whisky Whores

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*