Whisky Whores

Zeven vette jaren, en daarna pas zeven magere. Zo gaat het in sprookjes althans. Aan onze Tourtraditie dreigde na vier succesvolle edities echter al een einde te komen toen financiële problemen een spaak in het wiel staken. De Kleine Landen Tour naar de zeven kleinste landen van Europa, brommers die het begaven onderweg naar de zeven Trappistenbrouwerijen, Zwemmen in Zeven Zeeën en de zeven landen van oud-Joegoslavië – zou het daar dan bij blijven? Misschien legden we de lat ook wel te hoog voor onszelf met de ontdekking dat er exact zeven Schotse eilanden waren met een eigen whiskydistilleerderij. Vast niet allemaal even lekker, maar zeker niet slecht, volgens schrijver en Nobelprijswinnaar William Faulkner: “Slechte whisky bestaat niet. De ene is alleen beter dan de andere.” Eindelijk weer eens een onbeschaamde zuiptour dus, na het sportieve zwemgebeuren en de culturele reis over de Balkan.

Onze aspiraties waren helaas wel buiten het prijsverschil tussen Schotland en, doe eens gek, Kosovo gerekend. Vijftien veerbootovertochten, meer liters whisky dan diesel en al zou er misschien een keer een ochtend bij zitten waarop we niet zoveel trek in ontbijt hadden, er moest ook gegeten worden. Om kort te gaan: dit konden we niet betalen. “Dan laat je je toch sponsoren?” opperde de schoonfamilie bij het kerstdiner. “Een maand lang niet drinken met z’n vieren. Dan komt het geld wel.” En het moest wel een lange maand zijn. Het werd februari, want al zijn wij stuk voor stuk gezelligheidsdrinkers die onze hand voor een paar dagen zonder alcohol niet omdraaien, het moest wel leuk blijven. Zelden duurde februari zo lang.

Klaar voor de start (JS)

Zouden mensen hier echt de portemonnee voor trekken? Daan vond het gelijk een prachtidee, Gijs raakte ook snel enthousiast toen we over een sponsorplan na gingen denken en Jaap… tsja, Jaap was een paar weken niet bereikbaar, maar het ijzer was heet. Ontzettend heet. Ons plan was dan ook in no time in elkaar gesmeed. Gijs en ik moesten wel, want die avond zou zijn beruchte Derde Kerstdagfeest plaatsvinden en daar kwamen mensen die veel gingen drinken. En dan zouden wij ze op het juiste moment benaderen met onze actie. Voor een tientje wilden we een kaartje met schunnige tekst in het Gaelic van een eiland naar keuze sturen, voor een schappelijke € 60 namen we een fles single malt whisky mee en je kon zelfs Official Sponsor van onze Tour worden. “Waarom heb je die optie er überhaupt bij gezet?” vroeg iemand die avond nog. “Omdat het een minuutje typen was, en er hoeft maar één iemand het een goed idee te vinden.” Fair enough. “Hoeveel moet dat kosten, € 500?” vroeg Eva’s vader me een paar weken later. “Eh, nee – € 200. Hier staat het,” wees ik op ons sponsorplan. We hadden een hoofdsponsor.

Daan, Gijs, Jaap en ik stonden nog het meest paf van het ongekende succes van onze sponsoractie. Óf mensen vonden dit oprecht een goed idee en gunden ons een vijfde Tour waarover we later sterk overdreven verhalen zouden vertellen, óf iedereen wilde ons heel graag een tijdje het land uit hebben. Hoe dan ook, een maand na de vliegende start van onze sponsoractie was ons bruto al ruim € 1800 toegezegd. Bruto, want van dat geld moesten we shirts en fotoboeken laten drukken en heel wat flessen whisky kopen. De Jannis de Hullu Tour was nú al een succes. Niet iedereen was trouwens enthousiast (“Jullie krijgen geen cent van me! Geen cent!”), maar ongelofelijk veel mensen wel. Sommigen vonden onze actie verfrissend, zo vlak na Serious Request, anderen zelfs sportief, cultureel en gezond. Onze eerlijkheid en het gelikte sponsorplan werden geroemd, zeker door degenen die wel van een goeie zwendel hielden. En dan was er nog het medelijden. Op 1 maart, toen onze lange maand vol kommer en misère eindelijk ten einde was, stond het gesponsorde bier al voor ons klaar. Vergeten was het verdriet van Gijs die geen Guinness mocht drinken in Ierland, en zelfs mijn palincaloze tijd in Roemenië kwam ik langzaamaan weer te boven.

Zelfs toen ons heroïsche wapenfeit reeds volbracht was bleef de geldkraan geopend. De kofferbak zou straks aardig vol flessen liggen, verrassend veel sponsoren verlangden enkel van ons dat we lol zouden hebben en ook de originele verzoekjes druppelden nu binnen: Engelse cider, een vermelding in de spectaculaire reisverslagen, een bezoekje aan eigen land op Islay. Netto mochten we ons verheugen op € 1480 – ruim boven het ons tamelijk arbitrair ten doel gestelde bedrag van € 1200. Genoeg om alle vijftien veerbootovertochten en een fles goeie whisky (slechte bestaat immers niet) per persoon van te betalen. Dat de monden overal waar we over onze sponsoractie vertelden openzakten was een mooie bijkomstigheid.

Allemaal geprobeerd (JS)

Zeven van de liefst 64 sponsoren verhoogden zelfs spontaan hun in eerste instantie beloofde bedrag, waaronder Gerda, die Gijs op het laatste moment nog wat extra toestopte om de eerste fles whisky van te betalen. De stemming zat er dus al goed in onderweg naar de spuuglelijke haven van IJmuiden, te meer daar ik ter voorbereiding op in te lossen sponsorverplichtingen niet alleen een A4’tje banale opmerkingen in het Gaelic bij me had, maar ook verschillende moppen over Schotland had uitgezocht voor mijn neefjes. Zoals: “McDougal is dood! Hij is in een vat whisky gevallen.” -“Oeioeioei! Was het een snelle dood?” -“Volgens mij niet. Hij is er twee keer uitgekomen om naar de wc te gaan.” Ja, whisky heeft meer mensen gedood dan geweerkogels. “Toch zijn de meesten liever vol whisky dan vol lood,” merkte essayist Logan Pearsall Smith terecht op.

De beste mop konden we helaas niet op een kaartje schrijven. Samuel en Sebastiaan zijn immers pas acht jaar en dan is zo’n mop in het Engels (voor het gewenste effect hardop voor te lezen met zwaar aangezet Schots accent) nog veel te ingewikkeld. Vooruit, laten we hem dan hier nog maar eens integraal doen: A man is drinking an ale in a bar when the old man next to him starts to grumble. “Look here at this bar. Do you see how smooth and just it is? I carved that wood with me own hard labour, gave it more affection than me own wife and children, but do you think they call me MacGregor the Barbuilder? No!” The man looks gloomily out of the window when he continues: “And out there, through the window, do you see that wall? Look how well it’s built. I built that wall stone by stone, piled the rocks in pooring rain for months, but do you think they call me MacGregor the Wallbuilder? No!” The oldtimer sighs and takes another sip from his ale. “Have you been to the sea, lad? Did you see that pier that stretches out as far as the eye can see? I built that pier with me own bare hands, nailed it board by board standing in the cold water, but do you think they call me MacGregor the Pierbuilder? No!” The man stares angrily in his glass before he adds: “But you fuck one goat…”

We waren niet de enigen die er zin in hadden. In de rij voor de King Seaways zagen we vier Tsjechen op brommers. Met z’n vieren op brommervakantie – wat een geweldig idee! Met die jongens moesten we straks eens wat gaan drinken. Het was verdraaid warm op het zonovergoten dek en omdat onze voorraad bier al aardig ten zuiden van lauw begon te raken goten we de flesjes rap naar binnen. Met onze flessenvoorraad op tafel en de Jannis de Hullu Tourshirts uit om ze zo lang mogelijk te sparen hoefden we niet bang te zijn onze zitplaatsen met andere vakantiegangers te moeten delen. ‘Whisky is water without the bad parts,’ lazen we op een T-shirt en toen een rondje Grolsch € 20 bleek te kosten tegenover € 35 voor een liter whisky, leerde een snelle rekensom ons dat wij ons laatste biertje deze middag hadden gedronken.

Zo is Schotland eigenlijk best aardig (JS)

Achteraf ben ik er niet zo zeker van of onze wiskundecapaciteiten vandaag in ons voordeel werkten, maar al gauw zaten we met een liter Bowmore Mariner van vijftien jaar oud voor onze neus en haalde Jaap zijn bekertjes tevoorschijn. In de winkel aan boord werden we aangemoedigd een en ander uit te proberen en voor we het wisten hadden we glaasjes Jura’s zestien jaar oude Diurach’s Own, Highland Park Einar, Highland Park Svein, Bunnahabhain en Lagavulin zestien jaar oude Distillers Edition achter de kiezen. Het kwam onze overredingskracht ten goede, want bij het eten overtuigden we motorrijders Rob en Hans ervan whisky te kopen om samen met ons op te drinken. Met een liter vijftien jaar oude Aberlour en een liter tien jaar oude Talisker op zak liepen we nu de vier Tsjechen tegen het lijf. “Slivovitsj, jongens?” Daar zeggen wij geen nee tegen. Het viertal, gesponsord door bierbrouwer Rohozec en vastberaden 5000 kilometer af te leggen op hun brommers, was Tsjechië, Duitsland en Nederland probleemloos doorgekomen – al vonden ze de Amsterdamse hoeren wel aan de prijs.

De slivovitsj was op en het peil in de whiskyflessen daalde gestaag toen Rob tot zijn ontsteltenis constateerde dat het iets verderop zittende domme wicht waar wij het over hadden zijn bloedeigen nichtje was. Rob kon zich wel in onze analyses vinden: “Ik zou er mijn hond nog aftrappen.” De drankverslaafde komiek W.C. Fields zei ooit dat wie honden haat maar van whisky houdt eigenlijk geen slecht mens kan zijn. Of dit nu op Rob van toepassing was wisten we niet zeker, maar op dit moment wisten we dan ook erg weinig zeker. Hoe ik zonder trapje in mijn bed belandde kan ik bijvoorbeeld met geen mogelijkheid navertellen en ook Jaap was de weg behoorlijk kwijt. “Doen jullie zo open als ik aanklop?” vroeg hij. “Ik ga pissen.” De zee moet erg wild zijn geweest, want alles schommelde aan boord en niemand was van plan om voor Jaap zijn bed uit te donderen. “Je hebt zelf een kaartje om binnen te komen!” riep ik, maar volgens Jaap zat dat kaartje niet in zijn onderbroek en meer had hij niet aan. Met onvaste tred doolde Jaap over dek na dek, op zoek naar de wc waarvan hij vergeten was dat die zich gewoon in onze hut bevond. Gijs herinnerde zich dat nog wel, maar toen hij midden in de nacht het licht aandeed ontdekte hij Daan poedelnaakt slapend op het toilet.

Als whisky echt water zonder slechte stukjes is hadden we misschien toch teveel water gedronken, want alle bad parts kwamen er bij Jaap en mij in vliegende vaart weer uit. Daan en Gijs roemden hun katers als de meest indrukwekkende in jaren. Goed, met drie liter whisky, een scheut slivovitsj en een sloot bier gingen we onze grens dus net over, maar we hadden nog elf avonden over om de perfecte balans te vinden. “I just had 19 shots of whisky. I think that’s a record,” luidden de beroemde laatste woorden van dichter Dylan Thomas uit Wales. Zo beroerd waren we er niet vanaf gekomen en het leverde een beter verhaal op dan “Boot gepakt, lekker geslapen, maar wel wat krap die hut van ons.” Dan was het verhaal wel compleet geweest – uit alle macht puzzelden we met z’n vieren om te achterhalen wat er de voorgaande avond allemaal was voorgevallen. Dit hadden we echt niet willen missen.

Knutjesparadijs (JS)

“Whisky is de duivel, maar wel lekker,” klonk Pater Moeskroen door de speakers toen we als allerlaatste auto de grenscontrole passeerden. “You all have matching clothes!” riep de douanière vrolijk uit. “Jij en je collega’s ook!” pareerde Jaap, waarna Gijs het gaspedaal flink intrapte om zijn adrenalinepeil hoog genoeg te houden om wakker te blijven. De kater kickte bij hem pas in toen alle restalcohol was omgezet in brandstof en een broodje uitgeknepen kat hem beduidend minder deugd deed dan mij. Kreunend nam Gijs achterin plaats en vol gas reed ik door voor een Zadartje in Ardrossan. Vooruit, de veerboot naar Arran vertrok niet binnen een minuut na onze aankomst, maar vijf minuten voor de laatste incheckmogelijkheid haalden we onze tickets op. Nog dertien deadlines te halen – zouden het telkens van die onderhoudende ritjes worden?

“Zijn jullie broers?” werd op de boot van Ardrossan naar Brodick nu al voor de tweede keer deze Tour gevraagd. Onze Tourshirts vielen zo te zien wel op. “Ah yes, blondie I’ve seen…” identificeerde het personeel Jaap, nadat Daan en ik al herkend waren. We besloten het huiswerk niet te lang uit te stellen en kochten alvast een stapel ansichtkaarten. “Number one or number two?” wilde de man van ons weten. Met een tweederangs postzegel zouden de kaartjes pas rond kerst in Nederland aankomen. “Die zou ik doen. Da’s toch de charme van ansichtkaarten sturen?” Het hightech systeem waar mijn creditcard door werd gehaald garandeerde dat het bedrag ook rond die tijd pas van mijn rekening zou worden afgeschreven, volgens deze Schot met plezier in zijn werk.

Schotland begon minder saai dan we hadden gevreesd. Met een luide “PANG!” zette onze auto zich in beweging op het bijzonder schuine dek waarop we geparkeerd stonden. Op zich geen probleem, ware het niet dat onze voorganger maar twintig centimeter van ons af stond. Met een katachtige reflex trapte ik de rem precies op tijd in, waarna we ons met bonkend hart afvroegen of de handremkabel het begeven had. Daar zouden we op onze camping vast vlug genoeg achterkomen, want echt waterpas waren de parkeerplaatsen bij Glen Rosa niet. In een idyllische vallei met groen begraste en bezegde bergen, een meanderend riviertje, varens en vingerhoedskruid bevond zich een uitgestrekte weide die met een door optimisten als knus aan te duiden toiletgebouwtje en koudwaterkraan voor camping door moest gaan. Was dit echt Schotland? Het leek meer op ons geliefde Oost-Europa en scheelde dag en nacht met de Schotlandervaring die Gijs en ik tien jaar geleden hadden. Destijds niets dan regen, terwijl we nu lekker in het riviertje dobberden om af te koelen.

Fraai uitzicht (JS)

“Zouden jullie je tent wat verderop willen zetten?” vroeg onze gezette buurvrouw van dertig meter verderop. “Jullie zien eruit als jongens die hier wat komen drinken en daar heb ik na gisteren mijn buik vol van.” That makes five of us. Wat een vooroordelen – hoe kwam ze erbij? Ook al waren wij tegen betaling bereid vanalles te doen voor whisky, vanavond hadden we er even geen zin in. Na haar stekende opmerkingen zagen we ons genoodzaakt alsnog de Arran Blonde, Dark, Ginger, Milestone, Oatmeal Stout, Sunset en Red Squirrel van de lokale brouwerij uit te proberen. Door laatstgenoemde bier te drinken droegen we zelfs bij aan een beter milieu. Mevrouw daarentegen kwam hier om te mediteren en een staat van innerlijke rust kwam haar zo te zien niet aanwaaien.

Nu lag de kampvuurplek vlakbij onze tent ook bezaaid met ontplofte gasbussen. Iemand had zich gisteren nog ernstiger misdragen dan wij. Om buuv een plezier te doen besloten we toen we het dobberen in de Glen Rosa beu waren – in het geval van Gijs pas toen Daan hem per ongeluk raakte met één van de grote stenen die hij in het water gooide – een dam in de rivier te bouwen. Geen sinecure met zwarte zwermen knutjes die het op onze ogen, neusgaten en andere lichaamsopeningen voorzien hadden. Vluchten was onmogelijk, want eenmaal in onze tent bleek het plafond een krioelende, zwarte deken van midges te zijn. “Naar Schotland? Ik hoop voor jullie dat het regent,” sprak een collega Gijs vooraf moed in en gek van de jeuk begonnen we te begrijpen wat hij hiermee bedoelde.

Onze armen, benen en gezichten mochten dan een betreurenswaardige aanblik bieden, de ochtendstond gaf hier op Arran minder asfalttonen in de mond dan in Newcastle en de bedompte, zure hutlucht van de voorgaande morgen werd niet gemist. Frisse berglucht, daar wilden we onze longen mee vullen! Echt fris was die lucht vandaag niet, want Schotland maakte zich op voor een hittegolf met op Arran ongekende (en dorstig makende) temperaturen van 28°C. Waarschuwingsborden voor overstekende eekhoorns passerend (ach, wij hadden er toch al één gesponsord) reden we naar de Arran Brewery in Cladach, om vanaf hier de 874 meter hoge Goat Fell te beklimmen. Daar stond viereneenhalf tot zes uur voor, maar zo lang hadden we niet. We moesten immers nog een boot halen later vandaag. Twee zelfs.

Meer liters whisky dan diesel (JS)

Vanochtend wilden we uitslapen; nu wilden we per se jakkeren om het hoogste punt van het eiland te halen. In twee uur tijd stoempten Daan, Jaap en ik naar de top. Zweet parelde op onze mijnwerkersgezichten terwijl we alle wandelaars voor ons inhaalden. Materiaal voor de bolletjestrui, die prachtig met onze bolletjesarmen en –benen zou matchen. Gijs combineerde intussen zijn hobby’s van rustig slenteren en natuurfotografie aan de voet van Goat Fell. Ook met ons tempo van enkele versnellingen hoger lukte het niet de talrijke dazen, knutjes, teken en muggen af te schudden. Rododendrons maakten plaats voor varens en vingerhoedskruid, die op hun beurt ruim baan maakten voor heide. Na veenpluis en beenbreek hoefden we alleen nog een flink eind over kale rotsen te klauteren om de top te bereiken. Op een heldere dag kon je vanaf hier Ierland zien en helderder dan vandaag kon haast niet: de gekartelde pieken van Arran, het vasteland (of wat daar in geval van Schotland voor moest doorgaan), het schiereiland Kintyre, de eilanden Islay en Jura en in de verte Noord-Ierland – het uitzicht was prachtig.

Een ware optocht van wandelaars verbaasde zich erover dat we zo vroeg op de dag Goat Fell al af renden, met onze rood verbrande neuzen en kuiten. Jaap joeg een Schot die met geplukt vingerhoedskruid liep de stuipen op het lijf door hem te vertellen dat dit giftig was (“Now you scared me!” smeet hij de plant met een grote boog weg.) en kleine meisjes beschimpten de achtergebleven Gijs. Die was vijf minuten eerder bij de auto dan wij, maar gunde ons niet de voldoening zich te verbazen over onze recordtijd van vier uur voor de hele beklimming – inclusief een half uur pauzeren om te eten en halfnaakt te poseren op de top.

Daarmee hadden we nog tijd genoeg voor ons eerste destilleerderijbezoek van deze Tour. Een paar wat al te ondernemende lammetjes ontwijkend reden we het zonovergoten Lochranza in, berucht als dorp met de minste uren zonneschijn in het hele Verenigd Koninkrijk. Bij welke destilleerderij konden we beter beginnen dan bij de Isle of Arran Distillery? Een destilleerderij die met een uitgekiend sponsorplan in het leven was geroepen: Harold Currie verkocht in 1994 ‘malt bonds’ waarmee sponsoren twintig jaar later recht zouden hebben op een vat Arran whisky. Ons te soft, die whisky, maar zelf waren ze er nogal in hun nopjes mee: “So, first the best, then the rest,” concludeerde een medewerker met een blik op onze Tourshirts. Eerst proeven, dan geloven. De eerste flessen voor sponsoren konden in ieder geval worden ingeladen. Een zachte, tien jaar oude Arran voor Sjef en Ine, een pretentieuze Robert Burns voor Ella en een Sauternes Cask Finish voor Merik. Jammer dat The Devil’s Punchbowl niet op voorraad was.

Een uur eerder dan gepland reden we de pier van Lochranza op, waar de veerboot naar Claonaig al op ons lag te wachten. Een boot eerder, want zodra we de sleutel uit het contact haalden ging de ophaalplank omhoog. Een Zadartje voor de lol, zeg maar. Het voetbalveld vol schapen en de ruïnes van het kasteel van Lochranza verdwenen langzaam in de verte terwijl wij in het zonnetje op het dek van grillige kustlijnen en weer een gratis overtochtje genoten. Nul liter was echt te weinig. We hadden al zin in de fles Arran Machrie Moor vanavond.

Whisky Shores
The Angel’s Share

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*