Wij rijden liever om

De filantropische instelling die Albanië heet wenste niet aan ons te verdienen en had daarom besloten in een straal van tien kilometer om de grenspost Hani i Hotit enkel diesel te verkopen. Zo kwamen we moeilijk van onze laatste lek af, maar afgezet tegen recente geopolitieke ontwikkelingen wisten we dit klein zeer enigszins te relativeren. Langs het Shkodërmeer reden we Montenegro binnen voor een lunch met ćevapčići, waarmee we het hoogtepunt in dit land direct achter de rug hadden. Het Ostrogklooster was in ieder geval een enorme sof: religieuze fanatici beklommen de pelgrimsroute naar het tegen de rotswand genestelde klooster blootsvoets, aanbaden de donker verkleurde beenderen van Sint Vasilije en kusten iconen die door Rune hartelijk werden uitgelachen. Uiteraard kregen we een complimentary flesje wijwater, maar tussen deze enge mensen wensten we niet lang te verpozen. Voor het eerst deze vakantie durfde ik Runes vraag of hier monsters waren niet met een stelling ‘nee’ te beantwoorden.

İstanbul in het klein (JS)

Het fraaie decor van de Pivakloof voerde ons naar de grensovergang bij Šćepan Polje. De weg tussen de Montenegrijnse en Bosnische grensposten was volledig dichtgeslibd met rafters, die uitgerekend hier en masse in de Tara te water gingen. Als iemand een nog onhandigere plaats hiervoor weet houden de lokale autoriteiten zich aanbevolen, heb ik me laten vertellen. Een ongelooflijke 26 kilometer lang slingerde er een onbeduidend grindpad, waar je door de vele gaten amper dertig kilometer per uur haalde, naar de dichtstbijzijnde asfaltweg. Een slapende honingverkoper die voor dikke circusdirecteur door had kunnen gaan en een graf met daarop een goed gelukte afbeelding van de overledene en diens auto heetten ons welkom in Bosnië, dat nu al meer charme uitstraalde dan Montenegro. Spijtig alleen dat hier, na ruim 4000 kilometer rijden, het eerste auto-onderdeel het begaf. Op zo’n moment zul je altijd zien dat het gelijk een essentieel onderdeel is. Zonder autoradio bleek Sarajevo nog een hele rit voor Ilva en Rune.

Ook zonder de hulp van Hans en Grietje en Paulus de Boskabouter wisten we de hoofdstad van Bosnië uiteindelijk te bereiken, waar we tegenover het Sibeljplein de duurste kamer van de hele reis betrokken. Ook de porties in het traditionele restaurant Pod Lipom waren hoofdstedelijk, maar na twee borden Bosnische specialiteiten en een schotel hurmašica (“Wat is kadaïf? Oriëntaalse rotzooi!” hielp de serveerster ons bij het maken van een keuze) zat ik toch vol. Samen met Rune liep ik nog een rondje door het hippe, drukke centrum. De ‘liedjes van de moskee’ vond hij prachtig, dus dat was boffen met drie moskeeën binnen gehoorbereik van ons slaapkamerraam.

Dat Sarajevo een soort İstanbul in het klein is had ik al bedacht voor ik de twee lilliputter-moslima’s zag lopen. Ilva was met stomheid geslagen; ik sprak het woord ‘xhuxhmaxhuxh’ (het van Jaap geleerde Albanese woord voor lilliputter) waarschijnlijk net iets te hard uit, aangezien ik me op het moment van uitspreken pas realiseerde dat dit een woord van Turkse herkomst was. Overal zagen we hier moskeeën, islamitische begraafplaatsen, tapijtwinkels, Ottomaanse gebouwen zoals de Sebilj fontein, de Gazi Husrev Begova madrassa en de Morića han, hookahbars en reclames voor reizen naar İstanbul. Dat beeld van Sarajevo is wellicht niet helemaal fair omdat we de wijk Baščaršija amper uit zijn geweest, maar vraag iemand wat het mooiste deel van de stad is en negen van de tien zullen het oude Ottomaanse deel noemen.

Sarajevo (JS)

We waren van plan geweest om na Sarajevo ergens in Kroatië met Olivera af te spreken, maar een beetje tot onze opluchting ging haar geplande trip naar Istrië niet door. Nu hadden we tenminste een geldig excuus om over Servië om te rijden. Vlakbij Višegrad, een plaats die met de vijf woorden ‘Ottomaanse brug en slechte bediening’ kan worden afgedaan, staken we bij een kleine grenspost over naar Mokra Gora. De Kosovaarse stempels in ons paspoort werden niet gewaardeerd, maar het bleef bij binnensmonds gemopper en we konden doorrijden naar minicamping Viljamovka. Ljubisa Carević formuleerde het mooi in het welkomstwoord van zijn campingboekje: “In short, I want to inform you on my activities. I produce home-made brandy,” luidden de eerste twee zinnen. We waren vandaag de enige kampeerders in de perenboomgaard en waren daarmee voor Ljubisa aanleiding om de fles maar weer eens open te trekken. De glaasjes Carske Viljamovke perenrakija smaakten naar meer en dat had de drinkgrage Serviër gelukkig ook.

Het was jammer dat we de perenrakija niet in de Šarganska osmica (de Šargan Acht) konden drinken. Na de treinrit over het smalspoor vanaf Mokra Gora moesten we immers nog naar Olivera in Novi Bečej rijden, wat uiteraard ouder is dan Bečej zelf. Een fles zelfgestookte drank had het tochtje nog net wat meer cachet gegeven, al was het sfeerbeeld van een conducteur die het kaartje van een oude man met een gehavend gebit in een pikdonkere tunnel probeerde te controleren, terwijl de muziek van Fanfare Ciocărlia uit de speakers knalde, zo ook al mooi. Vooral Rune vond de Šarganska osmica prachtig. “Papa, wil jij die voor mij kopen?” had hij al gevraagd toen hij op het stationnetje een meterslang schaalmodel van een stoomtrein zag staan. Verder kregen we een hoop gezwets over sprookjes en wonderen in dit deel van Servië, uitzicht op Emir Kusturica’s kunstenaarsdorp Drvengrad en het landschap dat zo’n prominente plaats kreeg in zijn wat middelmatige film Život je čudo speelde en vooral veel, heel veel tunnels.

Precies wat je ervan zou verwachten (JS)

Op gebied van rakija zouden we toch niets tekort komen bij Olivera. Daarvoor moesten we wel eerst helemaal naar de andere kant van Servië rijden, langs slingerende provinciale wegen waar ze in kraampjes langs de weg honing, aardewerk, warme wollen sokken en prullaria verkochten. Eigenlijk alles behalve autoradio’s. Eenmaal bij Olivera stond de fles snel op tafel. De familie kwam er alleen niet uit of de palinca (Vojvodina lijkt niet alleen qua landschap en architectuur, maar ook wat betreft alcoholische versnaperingen op Hongarije) van perzik was gemaakt of ander fruit. “Dit is abrikozenpalinca,” hielp ik ze. Niet dat ik nou zo’n drankorgel ben, al zijn er misschien boze tongen die anders beweren, maar ‘kajsija’ is Servisch voor abrikoos. “Breskva is perzik,” voegde ik eraan toe. Omdat Olivera’s familie met stomheid geslagen was door mijn plotselinge kennis van het Servisch liet ik maar onvermeld dat ik deze woorden eigenlijk uit het Roemeens kende.

Het was goed om weer terug te zijn in Servië; net als Albanië een fijn land met lieve vrienden. Ik was blij dat ik als buitenstaander nooit hoef te kiezen tussen Albanië en Servië en gewoon van beide mag genieten zonder mijn vingers te moeten branden aan netelige etnische en/of historische kwesties. Als ik had moeten kiezen zou het overigens zonder meer Albanië worden, maar daar viel ik Olivera maar niet mee lastig. Voor Serviërs was haar familie trouwens behoorlijk ruimdenkend wat betreft Albanië en Kosovo. Olivera’s zwager Atsa voorzag dat Servië haar aanspraak op Kosovo op een gegeven moment zou opgeven, wat mogelijk aansluiting van de Republika Srpska bij Servië zou triggeren. Daar zou Turkije, dat inmiddels een flinke vinger in de pap had in Bosnië, ongetwijfeld op tegen zijn. Maar oorlog zou er vast niet meer komen. De mensen konden toch onmogelijk zo stom zijn om opnieuw de wapens op te nemen na alle gruwelen van twintig jaar geleden? Niemand kon toch zo dom zijn? Wacht, beantwoord die vraag liever niet.

Het werd een relaxed dagje op de Tisa met Olivera, Olivera’s zus Anka, Atsa en hun zoontje Mateja, die aan het eind van de dag dikke vrienden was met Ilva. De boot van Olivera’s familie, waarvan ik drie jaar geleden alleen het frame zag, was nu nagenoeg af. Dat gold ook voor de passerende boot die Mali Pirat (Kleine Piraat) heette. Slechts de letters ‘So’ ontbraken nog. Atsa vertelde over de Lada Niva, die nog altijd in hoog aanzien stond hier in Servië. “Wat gaat er het eerst stuk aan een Lada Niva? De chauffeur!” En over Lalos en Sosa, zoals de mannen en vrouwen van de Banat, dit deel van Vojvodina, werden genoemd. Iedereen hier deed het rustig aan. Waar zou je je hier op de Tisa, met een biertje in je hand terwijl de kinderen bellen bliezen, ook druk over maken?

Trenčin revisited (JS)

Rune rekende zichzelf duidelijk niet tot de Lalos en gooide zijn sandalen naar Atsa toen die even niet oplette en hem net te lang niet duwde op de wipwap. En ook wij wilden weer verder. Veel langer dan een dag stilzitten lukt me niet en we moesten nog naar een bruiloft in Tsjechië. ‘s Ochtends vroeg reden we naar de nieuwe grensovergang bij Bačka Vinogradski. “Hij is alleen open tussen 7.00 en 19.00,” spuide Atsa nog even wat overtollige informatie. Ik keek op mijn horloge en zag dat het kwart over tien was. “Jaaa, dat halen jullie waarschijnlijk wel,” concludeerde Atsa. Onder de bewolkte lucht lieten de zonnebloemen hun kopjes hangen. “Wat een rotzomer,” verzuchtten de Serviërs. Vrijwel dagelijks had het geregend. Soms maar een kwartiertje, maar ook een kwartier was lang genoeg om je hele dag te verpesten. Ach, we kwamen de auto toch pas in Slowakije weer uit, waar een douanier snoepjes naar Ilva en Rune kwam brengen. Als dit in Albanië was gebeurd had ik vast een vergelijking met Kroatië gemaakt.

Trenčin was onze laatste stop voor de bruiloft van Bram en Zuzana in Starý Kolín. Een verregende dag in de Biele Karpaty liep op niets uit, al was het moeilijk een dag met lamsvlees van de grill en halve liters donker bier voor een euro per stuk een mislukking te noemen. Zeker wanneer je uitkijkt over Trenčiansky hrad, het spectaculaire kasteel dat hoog boven het stadje uittorende. Toch was het feest van Bram en Zuzana een stuk waardiger als afsluiting van onze 33 dagen en 6600 kilometer durende reis. Net als een Astérixstrip sloten we af met een gigantisch feestmaal. Er werden borden stuk gegooid, met onze Buurman en Buurman sketch – getiteld Svatební dort – stalen we de harten van alle aanwezige Tsjechen en niemand keek raar op als je om een literfles slivovitsj vroeg. En de verschillende gangen bleven maar komen. Bram en Zuzana, bedankt voor mijn leukste dag in Tsjechië ooit. En voor de timing natuurlijk, waardoor we met een omweg door Albanië naar Tsjechië konden rijden. De beste route om er te komen, als je het mij vraagt.

Twixt
De gevaren van muilezel rijden

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*