Zelf zou ik geen 540° doen

Onze tijd in Otta zat erop, maar hoe in Røros te geraken? Noorwegen behoort overduidelijk tot de schuine landen. Grote valleien doorklieven de bergruggen die in dit gedeelte van het land voornamelijk noord-zuid georiënteerd zijn. Van Gudbrandsdalen naar Østerdalen zag er op de kaart misschien niet zo lastig uit, maar de praktijk was net even anders. Met de trein naar Røros zou acht uur in beslag nemen, met een langdurige tussenstop in het geen langdurige tussenstopwaardige Hamar. En dat terwijl je ook met de trein naar Hjerkinn kon, via de 29 naar Alvdal kon rijden om daarna nog een uurtje met de trein te doen. Deze optie was 80 euro goedkoper en leek ons thuis, bij het boeken van de treintickets, aan te raden. Nu wisten we hoe er in Noorwegen over liften wordt gedacht.

Ons plan was dus om op een verlaten station uit te stappen, de sneeuwwoestijn opnieuw te betreden en 73 kilometer te liften naar de vallei aan de andere kant van Rondane. Het enige andere dorp aan de 29, Folldal, lag zo’n dertig kilometer verderop. En echt druk was het niet. Bussen reden er vandaag niet, op de derde kerstdag. Sowieso was er op derde tot en met zesde kerstdag nog erg veel gesloten. Met de moed der wanhoop besloten we de Noren nog één kans te geven. Op station Hjerkinn, een nagenoeg identieke tweeling van station Kongsvoll, waren we de enigen die uitstapten. Ook Hjerkinn was niet echt een dorp: een huisje, een hotel, een kerk en dat was het wel zo’n beetje. Hier stond je vast niet vaak in de file, maar in ieder geval werd er naar ons gezwaaid vanuit enkele auto’s. Ze zagen ons dus lopen. Dat stemt hoopgevend.

Zowaar stopte er na een kwartier een auto. Niet impulsief, want dat zijn de Noren niet. De man had ons daarnet zien lopen, was doorgereden en had zich later bedacht. Hij had zijn reis anders gepland, maar doordat zijn vrouw ziek thuis was gebleven had hij ruimte voor twee lifters. “Dit is jullie geluksdag!”, vond Per. Dat liften hier lukte was inderdaad al opzienbarend, maar deze lift was perfect. Per reed naar zijn ouders in Folldal. Zijn zus woonde daar ook en misschien moest ze vandaag wel werken in Alvdal. “Ik bel haar even,” probeerde Per. En jawel – zus zou over 25 minuten vertrekken. De hele 73 kilometer naar Alvdal zouden we dus in een wip afleggen.

Yiiiiihaaaa, cowboys! (EH)

Per hield van het platteland. Oslo is niet meer wat het geweest is, vond hij, nu Nigeriaanse negerinnen op straat geld voor seks vragen (jij moest betalen). Drugs was overal te koop, dus Per zocht zijn heil en dat van zijn kinderen liever in Oppdal. Oslo is inderdaad de enige multiculturele stad van het land en dat wordt in Noorwegen wisselend gewaardeerd. Ik zou ook liever hebben dat mijn kinderen hier opgroeiden. In de winter moest je met de kicksled (heet zoiets een stepslee, of bestaat hier geen Nederlands woord voor?) of op ski’s naar school. Ook Pers kinderen waren fervente skiërs. Zijn oudste zoontje maakte zelfs salto’s op zijn ski’s. “Gisteren liet hij me een 540° zien!” Zelf zou ik nooit een 540° doen. Ik ben geen wintersportdeskundige, maar hoe je het ook wendt of keert, na een 540° kom je ongelukkig terecht. Bij zoiets draai je toch anderhalf rondje? Gaat het om salto’s, dan land je ondersteboven; op je hoofd dus. Zelfs in de sneeuw doet zoiets pijn. Draai je om je lengteas, dan land je achterstevoren en dan zie je weinig wanneer je je weg suizend naar beneden vervolgt. Nee, noem me ouderwets, maar ik geef de voorkeur aan de 720°.

De rode huisjes tussen uitgestrekte sneeuwvelden en bosranden maakten een idyllische indruk. Dit alles was van de familie van Per. Oude ski’s hingen tegen de schuur; het wit was op de meeste plaatsen onbetreden. Folldal lag verscholen achter de naaldbomen. Geen wonder dat veel Nederlandse boeren hier best een bedrijf willen beginnen. Pers zus reed haar Daihatsu al snel het erf op, maar vertrekken kon nog niet. Noren houden zich obsessief bezig met veiligheid en ik kreeg mijn gordel op de achterbank niet vastgeklikt. “Da’s dan jammer,” zou ik zeggen en karren maar. Maar nee, het probleem moest ter plekke verholpen worden. Ik herinnerde me de fietshelmreclame met honkbalknuppels op de Noorse tv en vond dit al even overdreven. Toch, toen de dame hem op zijn staart trapte en met 100 kilometer per uur over de bevroren wegen schoot, vond ik het een prettig idee dat ik een gordel om had.

Veel eerder dan we hadden durven hopen zaten we op een graffitiloos station te wachten op onze trein naar Røros. Tijd voor het haalbare gedeelte van onze vakantie. Vanaf hier geen wandelingen meer in metersdiepe sneeuw, liftavonturen of ander onrealistisch vertier. Station Alvdal ontpopte zich langzaam als drankhol voor de plaatselijke jeugd – vijf pubers hadden geen zin te wachten tot ze de rechtmatige leeftijd waarop alcoholconsumptie was geoorloofd bereikt hadden en deden zich tegoed aan blikken bier. Ook wij hadden het prima naar onze zin, toen we in Røros ons kabouterhutje zagen. Zonder wc en stromend water, dat wel. Het was best een eindje lopen door de sneeuw en zomaar voor de deur je behoefte doen liep behoorlijk in het zicht met dit weer.

Røros is een soort Lucky Luke stadje, maar dan met sneeuw. Belangrijkste vorm van transport is niet het paard, maar de kicksled; een slee waarop je op ijzeren stangen staat en je steppend voortbeweegt. Geen cowboys (ook geen Vikingen), wel Noren op lange latten die over de straten gleden. En saloons, daar hadden ze hier een hekel aan. Goed dan, de enige overeenkomst met Lucky Luke was dat alle gebouwen van hout waren. Røros is een kopermijnstadje uit de 17e eeuw dat grotendeels intact is gebleven en op de werelderfgoedlijst van UNESCO staat. Uitkijkend over het stadje vanaf Slegghaugen, de enorme berg uit de mijnen afkomstige slakken die boven het centrum uittorent, boden de nauwe straatjes vol donkerbruine, houten huizen, de barokke kerk en de oude smelterijen een vreemd en misplaatst wild westtafereel. Net als op de Færøer gingen de minuscule mijnwerkershuisjes schuil onder een dak van gras, al staken er nu slechts enkele sprieten boven het dikke pak sneeuw uit.

Coureur Fiepke zet een strakke tijd neer

Dat het toeristencentrum vandaag gesloten was, was erg spijtig. De kicksleds bleken te huur te zijn, maar daar hadden we nu dus weinig aan. Sommige waren zelfs omgebouwd tot speciale kinderwagen- of boodschappensleetjes. En bergaf gingen ze best snel. In ieder geval werden er wat ongelukken voorkomen door mij de besturing van zo’n ding te ontzeggen. Lang zou ik er niet om treuren, want we zouden vandaag toch op de slee zitten – en wel één die door een rendier werd getrokken. Eva en Magne van Rørosrein hadden een ren met gedomesticeerde rendierbokken. Eva behoorde tot de zuidelijke Sami en Magne hoorde er nu ook bij. Samen met negen andere Samigezinnen hadden ze een kudde van 4500 rendieren in de bossen rondlopen, in een gebied tot zo’n 200, 250 kilometer boven Røros. Dat was vroeger best lang skiën, maar met de sneeuwscooters van tegenwoordig was je nog maar vier, vijf uur onderweg in plaats van drie dagen. Per toerbeurt was je een week lang herder bij de kudde en een week thuis.

Rendiervlees is erg duur, dus da’s een goeie zaak voor de Sami. Voor zo’n groepje in een ren zorgen is dan ook een heel gedoe. De rendieren lusten alleen rendiermos en dat kun je niet zomaar bij de Welkoop halen of in je tuintje kweken. ‘s Zomers moesten er dus grote balen mos worden geplukt voor in de winter. Om het te verdienen moesten de dieren eerst een ritje maken. Om een houten hut naar oud Samimodel was een parcours uitgezet. Hier weken de dieren niet vanaf. Een rendierbok van het zuidelijke model kan behoorlijk fors worden. De gecastreerde bok die eerst aan de beurt was woog zo’n 90 kilo. Dit waren geen lieve hertjes, maar compacte beesten die aangepast waren aan barre omstandigheden. En die stronteigenwijs waren. In de zomer door een hekel te hebben aan alles wat met zomer te maken heeft – insecten, zon, warmte. Vraag me niet hoe ze het doen, maar tot in juni weten rendieren plekken met sneeuw te vinden.

De rendierbok gebruikte zijn enorme gewei om zijn bedoelingen duidelijk te maken. Een rendiermannetje verliest zijn gewei elk najaar. Het nieuwe gewei groeit dus in luttele maanden tot een niet alleen voor de vrouwtjes indrukwekkende grootte. Dan is het vechten, paren en – poef! – daar gaat het gewei. Vrouwtjes behouden hun (kleinere) gewei, laten mannetjes mos voor hen zoeken en jagen ze dan met een paar goedgemikte porren van hun gewei weg. Gecastreerde mannetjes verliezen hun gewei pas na de winter en echt kalm werden ze van dat hele castreergebeuren zo te zien niet. Het dier vertrok als een pijl uit een boog, na herhaaldelijke pogingen Eva en Magne een mep te verkopen met zijn gewei. Magne had de grootste moeite de bok na een rondje af te remmen. In het verleden had dit al tot spectaculaire crashes geleid met toeristen die doodsangsten uitstonden. Het rendier schiep er een duivels genoegen in te versnellen in de laatste bocht en keihard tegen het gaas van de ren aan te stormen. Stevige diertjes met een zeker gevoel voor humor, als je het mij vraagt.

Ons eerste rondje was dan ook achter een kalmer, niet gecastreerd dier. In een sukkeldrafje ging het over de sneeuwbaan waar een eigenwijze bejaarde net nog weigerde uit te wijken voor het bijna op hol geslagen, wildere dier. Ook dit rendier versnelde in de laatste bocht, maar afremmen bleek geen probleem. Met de maag vol mos en moegestreden na zijn eerdere strapatsen was ook de bok met gewei daarna bereid ons voor een wat normaler rondje mee te voeren. Magne vertelde ons in de Samihut nog wat over de cultuur van de Lappen. Zo hadden ze niet vier, maar wel acht seizoenen. Ik verwachtte tot wel vijf verscheidene onderverdelingen van de winter, maar dat bleek te ver gezocht. Lente, lente-zomer, zomer, zomer-herfst, herfst, herfst-winter, winter en winter-lente. Ja, zo kan ik ook acht seizoenen verzinnen! Dat de hut octagonaal was, was wel mooi.

Pas op - brandbaar (EH)

De Samitaal is veel efficiënter dan het Noors, beweerde Magne. Althans, op rendiergebied. Magne kon zo met zijn verrekijker van een hele afstand zien of een rendier in de kudde van hem was aan de vorm van de oren. Eén Samiwoord om deze te beschrijven volstond. “In het Noors zou het zo klinken,” vervolgde Magne, waarna hij begon te ratelen, breed gesticulerend. Na een minuut dacht ik “Ok, wat mij betreft is het voorbeeld duidelijk,” maar Magne ging vrolijk verder. Op tv was ook een Sami-journaal te zien, maar ook dit betrof voornamelijk rendiergerelateerd nieuws. Bijvoorbeeld over het veranderende klimaat. Regen in januari – belachelijk! Hier in Røros bleef het gelukkig koud. Het was nu -11°C; morgen zou het overdag zelfs -20°C zijn. Een strakke, blauwe lucht voorspelde aanhoudende koude. Vannacht zou het noorderlicht te zien zijn, maar wij moesten al deze beloften en de hoop op een tochtje met een kicksled achterlaten. Vanavond nam de NSB ons alweer mee naar Oslo, waar het niet eens vroor.

Lezers van mijn website weten al dat ik niet zo weg ben van steden, maar Oslo is echt een drol van een stad. “’Het is net Eindhoven,” wist Anton het treffend te typeren. Want ja, Toon was ook in Oslo. In hetzelfde hostel als wij. Wat ‘n toeval. Ook Anton had weinig stoere Vikingen dan wel metaalliefhebbers gezien. En hij had nochtans goed kunnen zoeken in Oslo, want hij was de stad niet uit geweest. Nee, voor Vikingen kun je beter naar de Færøer en veel beter naar Denemarken. Stoere jongens waren hier wel, maar die kwamen oorspronkelijk uit de Kempen. De Noren zelf zijn doetjes met gladde kinnen, fietshelmen en reflecterende hesjes.

Hostelcomplex Anker was gigantisch en volledig volgeboekt. Er was dan ook maar één plek in Oslo die goedkoper was om te overnachten en daar lag je met z’n twintigen bij elkaar op de vloer. Gelukkig hadden we saaie kamergenoten die al voor elven sliepen, dus ons laatste dagje Noorwegen kon al vroeg beginnen. “Waar zou jij zijn zonder mij?”, merkte Eva bijdehand op, alleen omdat ik toevallig mijn handdoek was vergeten en geen zin had om in mijn blote kont de slaapkamer in te lopen waar onze Duitse kamergenoten zaten te ontbijten. Nou, gewoon, nog steeds in de douchecabine, maar dan wat meer vertrouwend op het natuurlijke proces van verdamping. Eva en ik besloten het vandaag over de culturele boeg te gooien. “Dat hou jij vast niet lang vol,” hoor ik jullie denken. Mis! Oslo is dan misschien het Eindhoven van het noorden; er zijn musea in overvloed. En dan heb ik het niet over kunst, maar over echt interessante musea. Met de Oslopas op zak ging het eerst naar het Frammuseet. Net als van de bieb geleende reisgidsen doet dit museum mijn hart sneller kloppen. Al ruim zes jaar wil ik naar Svalbard of andere arctische regionen. Nansen en Amundsen gingen nog wat verder, aan boord van het poolschip Fram, dat hier in zijn geheel werd tentoongesteld. Om het in sfeer te houden stond de verwarming binnen niet aan. Mijn fantasie leefde op bij het lezen over hoe Nansen te voet probeerde de Noordpool te bereiken, overwinterend in een provisorisch hutje, aan alle kanten omgeven door het pakijs.

Waanzinnige bestemmingen als Groenland, Severnaja Zemlya, South Georgia of Antarctica zitten er voorlopig niet in. Dat Hans wel de gelegenheid heeft om naar Antarctica te reizen is benijdenswaardig. Het resultaat voor mij was dat ik door dit nieuws, en door de hypnotiserende krachten die uitgingen van de landkaarten van het zuidelijke continent hier in het Frammuseet, de hele tijd het gelijknamige nummer van de WC Experience in mijn hoofd had. Ik wil naar Antarctica, ‘tarctica, ‘tarctica / Op ‘t witte strand, mee ‘n ijsco in de hand / Ik wil naar Antarctica, ‘tarctica, ‘tarctica / Ge hè’t d’r geen café, maar wel uitzicht op de zee. Ach, Eva zou toch vast niet mee willen gaan.

Daar zijn de Vikingen (EH)

Eva wilde wel graag naar het Vikingskipshuset. Hier waren twee intacte Vikingschepen, de resten van een derde, een Vikingrijtuig en drie sledes tentoongesteld. Het Osebergschip kenden we al van Solefalds An Icelandic Odyssey. Hier waren de Vikingen dus – of toch niet? Alles was nu te zien in een omgebouwde kerk. Waarom Vikingen met schip en al, met sieraden, wapens, voedsel en slaven begraven werden leek ons tamelijk voor de hand liggend, maar van Walhalla werd in de verklarende teksten geen gewag gemaakt. Toch, beter dan dit werd het niet. Zeker niet in het Norsk Folkemuseum, hoewel de 800 jaar oude staafkerk uit Gol de moeite waard was. Met de houten dakpannetjes herinnerde het aan de houten kerkjes uit de Maramureş in Roemenië.

Verder was het openluchtmuseum nogal suf, met uitzondering van de Samitentoonstelling. Zo te zien hebben de Lappen heel wat meer verstand van rendieren en overleven onder arctische omstandigheden dan dat ze over artistieke talenten beschikken. Hun klederdracht lijkt in een delirische verstandsverbijstering van een kleurenblinde tot stand te zijn gekomen, maar hun vlag slaat werkelijk alles. “Ik heb wel eens lelijkere vlaggen gezien,” probeerde Eva nog. “Noem er één,” daagde ik haar uit, mijn pijnlijke ogen afwendend van deze kleurenbende. “Nou, misschien niet dan,” gaf ze toe. Maar het verhaaltje achter de Samivlag vond ze leuk.

Onze laatste stop in Oslo was het Kon-Tiki Museet, over het leven van Thor Heyerdahl in al zijn facetten. Wat een lapzwans eigenlijk, die Thor. Thor bouwde graag bootjes om op zoek te gaan naar het paradijs op aarde. Op Fatu Hiva in Frans-Polynesië leefde hij bijna twee jaar met zijn vrouw van alles wat het eiland te bieden had. Thor had gewoon geen zin om een echte baan te vinden. Toen alles niet meer zo op rolletjes liep op het eiland, besloot hij elders boten te gaan bouwen. Geen goeie, stevige boten, maar opgeblazen Sinterklaassurprises; vlotjes van papyrusriet en balsahout. En daar voer ie dan mee de Atlantische, Grote en Indische Oceaan over. Dan hoefde Thor weer een hele tijd niet te werken. Thor had het best slim bekeken. Aan zijn omzwervingen gaf hij een quasi-wetenschappelijke draai om de boel te kunnen verkopen aan de buitenwereld. Een geweldig museum voor de kleintjes, met grottengangetjes, een nepaquarium met een walvishaai, de originele Kon-Tiki en Ra II en veel speelgoed in de museumwinkel.

Dat smaakte eigenlijk naar meer, de verhalen over al die absurde reizen. De Noren leken ons zo een reislustig volkje, uitwaaierend over de poolgebieden, geïsoleerde eilandjes en de meer plunderbare gebieden in Europa. Na de slappe Scandinavische tandoori die avond wisten we het zeker: naar tandooriland hoeven we niet, maar Svalbard en Paaseiland klinken een stuk romantischer. Voorlopig even niet, want 2009 zal op reisgebied een stuk rustiger worden dan 2008 – maar dan ook alleen op reisgebied, als het goed is.

Zombie Strippers!
Op vakantie met de NSB

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*