Zuid-Ossetië

“Weten jullie zeker dat jullie deze kant op willen?” vraagt een verbaasde douanier aan de Russische grens. “Dit is niet de weg naar Georgië, maar naar Zuid-Ossetië!” Zijn collega’s weten ook niet goed wat ze met ons aan moeten en roepen er iemand met een grotere pet bij. De superieur loopt een rondje om onze bus, inspecteert het kenteken en spreekt ons enigszins van zijn stuk gebracht aan. “Weten jullie zeker dat je Zuid-Ossetië binnen mag?” vraagt hij. “We krijgen hier erg weinig buitenlanders. En al helemaal niet in hun eigen auto.”

De FSB vertrouwt het evenmin. Een officier voert ons door verschillende hekken en neemt me apart voor een verhoor. “Wat is het doel van jullie reis? Wat is je beroep? Wie wacht er op jullie aan de Zuid-Ossetische kant van de grens?” Stempels in ons paspoort krijgen we niet. “Luister, bij binnenkomst in Rusland hebben jullie een douaneformulier ontvangen,” herinnert de man met de grote pet ons. “Dat houden jullie goed bij je. Er worden geen nieuwe documenten opgemaakt.” Officieel zijn we hier nooit geweest.

De Rokatunnel voert ons onder de 3000 meter hoge bergkam door die Noord- en Zuid-Ossetië van elkaar scheidt. Het is de enige verbinding die het hermetisch gesloten, niet-erkende land met de buitenwereld heeft. Zuid-Ossetië heeft geen vliegveld. Op de websites van AirBnB en Booking.com vormt de republiek een gapend zwart gat. Pinautomaten zijn er niet. Het hele niet-erkende land telt twee minihotels en één motel. “Als we dertig toeristen op één dag krijgen, dan hebben we een probleem,” vertelt gids Georgii, die ons zijn land wil laten zien. “Zoveel kunnen we er niet tegelijk huisvesten.” Het is een puur hypothetisch probleem: “Ik schat dat jaarlijks zo’n 30 tot 50 niet-Russische toeristen Zuid-Ossetië bezoeken.”

De Ossetische douaniers zijn minstens even verrast buitenlanders te zien. Er wordt een gastenlijst bij gehaald en daar blijken onze namen daadwerkelijk op te staan. Een paar vragen later worden onze Zuid-Ossetische migratiekaarten gestempeld en gaat de slagboom voor ons open. De ondoordringbare bergmuur die de grens met Rusland vormt verdwijnt achter ons en in Nizhny Rok verlaten we het asfalt. Met de 4WD van Georgii hobbelen we over een verschrikkelijk slechte weg de vallei van Edys in, waar een militair ons niet zomaar voorbij een controlepost laat rijden. Georgii is vastbesloten ons zijn geboortedorp te laten zien en laat zich niet eenvoudig afschepen: op voorwaarde dat we diezelfde middag nog terugkeren mogen we verder. Nog hogere bergpieken rijzen voor ons op, onderweg naar de afbrokkelende verdedigingstorens van Sredny Yerman. We parkeren tussen een ongeordende verzameling Spartaanse huizen met spitse, golfplaten daken. De paar geharde dorpsbewoners die hier ook ‘s winters wonen, wanneer anderhalve meter sneeuw hen maandenlang van de rest van de wereld afsluit, heten ons welkom.

We gaan te voet verder naar het op 2600 meter hoogte gelegen Verkhny Yerman. Varkens slaan ons nieuwsgierig gade vanuit de beschutting van een brandnetelveld. Er woont niemand meer in het bergdorp. Tussen wilgenroosjes en wilde frambozen pauzeren we en eten de nog warme Ossetische pastei met kaas, aardappel en kool die Georgii heeft meegebracht. Ingestorte verdedigingstorens en dodenhuisjes met skeletten staan als stille getuigen in het weidse berglandschap. Ilva en Rune zijn minder stil en klagen steen en been tijdens de wandeling. Hoog boven het dorp moet ergens het prachtige Kelimeer liggen, maar zonder speciale vergunning wagen we ons niet dichter in de buurt van de niet-erkende grens met Georgië.

Aan het eind van de dag komen we toch dicht bij de streng bewaakte bufferzone. Hoofdstad Tskhinval ligt pal aan de grens. Vanaf ons balkon zien we hekken, een kale strook land en daarachter de akkers van Shida Kartli. Zolang Rusland zijn militairen in Zuid-Ossetië gestationeerd houdt, blijft de situatie hier onveranderd – al wordt de grens internationaal maar door vijf landen erkend: Rusland, Nicaragua, Venezuela, Nauru en Syrië. Plus het zonderlinge clubje van Abchazië, Nagorno-Karabach, Transnistrië, de Arabische Democratische Republiek Sahara en de Volksrepublieken Donetsk en Loegansk. Voorlopig peinzen de Russen er niet over hun troepen terug te halen. Tussen Dzau en Tskhinval tellen we vier wagens met raketafweergeschut en drie Russische legertrucks.

Het is de vraag hoeveel Osseten hier nog zouden leven zonder hulp van de Russen. In 1989 uit Zuid-Ossetië de wens een autonome Sovjetrepubliek te worden. Het Georgische leger antwoordt binnen een week door Tskhinval aan te vallen. Zuid-Ossetië roept eenzijdig de onafhankelijkheid uit, waarop Georgië de autonome status van de regio opheft. De nationalist Zviad Gamsakhurdia, die met zijn ‘Georgië voor de Georgiërs’ de eerste president van een kersvers onafhankelijk Georgië wordt, schaft daarop het Ossetisch – een Noordoost-Iraanse taal verwant aan het Scythisch en het Sogdisch – af als officiële taal. Voortaan is Georgisch de enige officiële taal in heel Georgië. Gamsakhurdia laat bussen met demonstranten uit Tbilisi aanvoeren om de separatisten te intimideren.

In 1991 breekt de Eerste Zuid-Ossetische Oorlog uit. Driekwart van Tskhinval wordt door het Georgische leger vernietigd. Bijna honderd Ossetische dorpen worden etnisch gezuiverd en platgebrand. De Osseten aan de andere kant nemen wraak op Georgiërs die in Zuid-Ossetië wonen. Huizen en winkels worden geplunderd en in brand gestoken. Met hulp van voormalige Sovjettroepen en vrijwilligers uit Noord-Ossetië houden de Osseten stand, maar wanneer in 1992 een staakt-het-vuren wordt getekend, zijn er meer dan 2.000 doden gevallen. Ruim 100.000 Osseten zijn gevlucht voor het oorlogsgeweld; 23.000 Georgiërs verlaten hun huizen in Zuid-Ossetië om er in de meeste gevallen nooit meer terug te keren.

Vanaf 1992 is Zuid-Ossetië de facto onafhankelijk. Georgië heeft grotere zorgen door oorlog in Abchazië, een gewapende coup van ‘Zviadisten’ die de inmiddels afgezette Gamsakhurdia weer aan de macht willen helpen en het autonome Adzjarië dat zijn grenzen voor alles en iedereen sluit. Zowel de Ossetische als Georgische autoriteiten profiteren van het bevroren conflict en de schimmige politieke situatie die hieruit voortkomt. Er ontstaat een levendige handel in wapens en drugs.

Met uitzondering van een kortstondig oplaaien van de gevechten in 2004 blijft het relatief rustig in Zuid-Ossetië, waarvan grote delen dan nog onder controle van Georgië staan. De spanningen nemen toe in 2008, wanneer wereldwijd tal van landen het in Kosovo gehouden referendum en het recht op zelfbestuur van de Kosovaarse Albanezen erkennen, terwijl eerdere referenda in Zuid-Ossetië en Abchazië door de internationale gemeenschap als ongeldig worden afgedaan. Begin augustus plegen Ossetische separatisten een aanslag op een politievrachtwagen. Georgische scherpschutters nemen wraak, waarop de Osseten Georgische dorpen beschieten. Voor Mikheil Saakashvili, de nieuwe president van Georgië, is de maat vol. Hereniging van Georgië is één van zijn speerpunten en in de nacht van 7 op 8 augustus 2008 vallen 12.000 Georgische militairen Zuid-Ossetië binnen.

De Osseten zijn zwaar in de minderheid. Samen met het sinds de eerste oorlog aanwezige Russische vredeskorps telt de republiek ongeveer 1.000 soldaten, die zich gesteund weten door 2.500 vrijwilligers. De Georgiërs proberen de Rokatunnel te blokkeren om te voorkomen dat het Russische leger zich met de strijd bemoeit. Het doel is om Tskhinval zo snel mogelijk te veroveren om daar een door Tbilisi goedgekeurde regering te installeren. De Ossetische troepen zijn niet opgewassen tegen het professionele Georgische leger. Binnen enkele uren verovert Georgië tal van Ossetische dorpen, maar de Russen weten de Rokatunnel met succes te verdedigen. Op de vierde dag van de oorlog staat Tskhinval nog bijna volledig onder controle van de Georgiërs, maar dankzij de steun van Russische regimenten kantelt het numerieke overwicht langzaam in het voordeel van Zuid-Ossetië. Rusland bombardeert militaire doelwitten in Georgië en zonder luchtsteun of andere versterking kan Saakashvili niet anders dan zijn troepen terugtrekken.

“We mogen niet ophouden Rusland te bedanken voor hun steun,” herinnert president Anatoly Bibilov zijn ingetogen toehoorders tijdens de jaarlijkse herdenkingsbijeenkomst op 7 augustus. Op het bordes voor het parlementsgebouw branden kaarsen voor portretten van gesneuvelden. “Met hoevelen zouden we hier vandaag nog zijn, als de Russen de bombardementen en beschietingen geen halt hadden toegeroepen? Als de Georgiërs hun operatie ‘Schone Aarde’ hadden voortgezet?” Verzoening is nog ver weg. “Maar Georgië is niet langer de vijand,” probeert Georgii. “Eerder een buur waarmee we slecht overweg kunnen.” Het lijkt me nogal een understatement. “Misschien is alles over dertig, veertig jaar weer normaal,” hoopt Georgii.

Eeuwenlang leefden Georgiërs en Osseten vreedzaam samen in dit deel van de Kaukasus. Vadim, een collega van Georgii, rijdt met ons mee door het Znaurskiy rayon. Hij laat ons Georgische kerken en vervallen forten in een weelderig bebost gebied zien. Net als even verderop in Gori, aan de andere kant van de grens, staat Stalin hier nog fier op zijn sokkel. “Stalin was een Osseet, geen Georgiër,” stelt Vadim. De Kaukasus blijft een etnisch wespennest waar niet iedereen op zoek is naar verbinding. Het vreedzame Tir, een klooster dat verscholen ligt achter grote eiken en eerder Armeens dan Georgisch aandoet, is een welkome laatste stop voor we terugkeren naar de met kogelgaten ontsierde gebouwen van Tskhinval.

In het Nationale Museum van Zuid-Ossetië vertelt Sascha ons over eeuwenoude Ossetische tradities. Zo werd een jaar nadat iemand stierf een met snoep versierde boom te paard naar diens dorp gebracht om de overledene te herdenken. “Bloedwraak was normaal in Ossetië,” legt Sascha bij een ander schilderij uit. “Een moord diende gewroken te worden door een familielid van het slachtoffer. Daarna was dat familielid het volgende doelwit, enzovoort. Maar er was een manier om een bloedvete te beëindigen.” Op het schilderij knielt een groep mannen onderdanig voor een oude vrouw. “Om respect voor de vermoorde te tonen, lieten alle mannen uit de familie van de dader zich kaal scheren. Daarna dronken ze allemaal melk uit de borst van de oudste vrouw uit de familie van het slachtoffer. Op die manier werden ze elkaars melkbroeders.”

We lopen langs Scythische speren en messen, grote houten bokalen met gedraaide hoorns waaruit belangrijke gasten bier dronken en staatscadeaus uit Nauru, Rusland en een aantal niet-erkende landen: een kunstzinnige mijnwerkershelm uit Volksrepubliek Donetsk en houtsnijwerk uit Transnistrië. Maar de verhalen die we in het museum horen maken de grootste indruk. Op een laatste schilderij zien we een man die door een ander van een berg wordt gegooid. Een menigte kijkt toe. “De doodstraf werd in Ossetië uitgevoerd door de veroordeelde in een ravijn te gooien. Een familielid diende het vonnis te voltrekken,” legt Sascha uit. “De doodstraf was overigens zeldzaam en werd alleen opgelegd bij de allerergste vergrijpen, zoals moord en het beledigen van je gasten.”

Die avond zijn we te gast bij Zhanna. Eerder vandaag vertelde Georgii nog schoorvoetend dat Tskhinval eigenlijk maar één acceptabel restaurant heeft. Wie doet daar moeilijk over, als je als gast overal aan het hoofd van de tafel wordt geplaatst? Zhanna zet ons Ossetische kaaspastei, gekruide bonensalade, vers brood en huisgemaakte wijn voor. Net als bij veel landgenoten zit het oorlogsverdriet diep bij haar. “Kinderen en bejaarden stierven. De doden lagen op straat,” vertelt onze gastvrouw. Op de beelden die ze op haar telefoon laat zien heeft Tskhinval veel weg van het huidige Syrië. Jonge mannen nemen met een vertwijfelde blik in hun ogen de geweren aan die ze in hun hand geduwd krijgen. “Geweren – in ieder geval hadden ze die nog. In 1991 waren het stokken, messen en zelfgebouwde wapens.” Hoeveel van de jongens uit het filmpje leven nu nog?

Tskhinval, een hoofdstad niet groter dan Meppel, is met zijn ene restaurant, helikoptermonument waarvan de verf afbladdert en karakterloze nieuwbouw die tussen kapotgeschoten gebouwen verrijst beperkt interessant. Je gaat niet naar Zuid-Ossetië voor indrukwekkende steden of kastelen uit lang vervlogen dagen – je reist naar Zuid-Ossetië voor de prachtige natuur en de gastvrije inwoners. Georgii neemt ons opnieuw mee de bergen in; nu in het westen van het land. We kloppen aan bij zijn vriend Volera, die eergisteren met een beer gevochten heeft en nu met zijn been in het gips zit. “Hoe is het met de beer?” vraag ik hem. “Die ligt in de koelkast,” lacht Volera. “Neem wat vlees, wat brood en kaas. Je moet een keer terugkomen, dan laat ik je de mooiste plekken zien!” Met een van pijn verwrongen gezicht strompelt Volera terug naar zijn bed.

“Er zijn nu veel meer beren in Zuid-Ossetië dan dertig jaar geleden,” vertelt Georgii terwijl hij de Chevrolet Niva van Volera behendig door diepe moddermeren en over steile rotshellingen manoeuvreert. “De Georgiërs jagen graag op beren. De dieren vluchten massaal de grens over.” Georgii zet de auto aan de kant van het pad en wijst naar de rotsen hoog boven ons. “Daar gaan we heen.” We waden door een ware bloemenplaag omhoog, Ilva en Rune dragend waar de berenklauw te hoog groeit, op zoek naar een in de karstlaag verscholen grot. Zo ver het oog reikt zien we onbetreden groene berghellingen. Hoog boven ons cirkelen adelaars.

Terug bij Volera moeten we opnieuw eten en drinken. Zijn buren Gennadi en Dmitri zijn verheugd vreemden in hun dorp te zien en openen een fles Arak. Niet dat acteur Dmitri drank nodig heeft om uit te beelden hoe hij voor films altijd gecast wordt voor de rol van Tsjetsjeense terrorist. Met zichtbaar plezier schmiert hij erop los met een fors uitgevallen keukenmes. “Blijf hier logeren,” stelt Gennadi voor. “En vertel thuis over ons land – maar alleen aan je familie en beste vrienden!” Onze laatste nacht in Zuid-Ossetië kamperen we met Georgii aan het heldere water van het Ertsomeer, te midden van glooiende, zachtgroene heuvels.

Voor Ossetiërs zijn gasten heilig; toch krijgen ze die hier nauwelijks. In vier dagen tijd krijgen we twee flessen wodka, tweeëneenhalve liter zelfgemaakte wijn, een zak snoep, een grotere zak fruit, een pot ajvar, nog meer snoep, drie mokken als souvenir, een stuk kaas en een kwart kuub brandhout. Overal waar we komen willen mensen een praatje maken en vragen ze of we blijven voor een kop thee of de lunch. Zelfs de douaniers vormen hierop geen uitzondering. “Met de auto, helemaal vanuit Nederland?!” Nog één keer wordt er thee voor ons ingeschonken en krijgen we een koek. Alleen een stempel in ons paspoort krijgen we niet en de Zuid-Ossetische migratiekaarten worden ingenomen. Officieel zijn we hier nooit geweest.

Zelf naar Zuid-Ossetië? Met mijn reisbureau Tot hier en verder organiseer ik reizen naar de Noordelijke Kaukasus.

Westwaarts
Noord-Ossetië

1 Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*